Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:47
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,418 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1183
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 januari 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag juist is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag juist vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2021. Daarin heeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning en premie-inkomen, bestaande uit inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, aangegeven van € 8.202.
4.1.
De inspecteur heeft de aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd. De aanslag bedraagt, na verrekening van de ingehouden loonheffing van € 207, nihil.
4.2.
Tot de gedingstukken behoren twee overzichten met de naam ‘Fiscale Loon Gegevens – Details inkomstenverhouding – Belastingdienst’. Hierin staat dat belanghebbende van Gemeente Eindhoven uit [plaats 2] van Participatiewet in 2021 een inkomen heeft genoten van € 4.603. Tevens staat er dat belanghebbende in het onderhavige jaar van [pensioenfonds] uit [plaats 2] van pensioen inkomsten heeft genoten van € 3.599.
Motivering
5. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur al jaren zijn zorgplicht en/of informatieplicht heeft verzaakt door belanghebbende niet te informeren over wat de term ‘inhoudingsplichtige’ is en wat dat inhoudt. Belanghebbende meent hierdoor veel inkomsten te zijn misgelopen. Hij wenst hiervoor gecompenseerd te worden. Tevens heeft belanghebbende een beroep gedaan op het VN-verdrag Handicap (het Verdrag) en gesteld dat hij recht heeft op een hogere uitkering.
5.1.
De inspecteur is van mening dat de aanslag juist is vastgesteld. De inspecteur heeft gesteld dat geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat op hem geen zorgplicht kan rusten voor het verstrekken van informatie ten aanzien van een te ontvangen bijstandsuitkering in het kader van de Participatiewet. De inspecteur is verder van mening dat geen sprake is van schending van het Verdrag.
Beoordeling
6. De rechtbank stelt voorop dat zij enkel kan oordelen over de onderhavige aanslag. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat de inkomsten van belanghebbende in 2021 (bruto) € 8.202 bedroegen. Nu in de aanslag rekening is gehouden met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.202 en inhouding van € 207 loonheffing en belanghebbende niet heeft gesteld waarom de aanslag niet juist zou zijn vastgesteld, is de aanslag naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd.
6.1.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan wel het Verdrag. Voor zover belanghebbende van mening is dat hij recht heeft op meer inkomsten dient hij zich te wenden tot de uitkerende instanties. De inspecteur kan daarin geen rol vervullen. Al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat de aanslag niet juist is vastgesteld.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 4 januari 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.