Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:4688
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,085 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/421166 / JE RK 24-640
Datum uitspraak: 28 juni 2024
Nadere beschikking machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats].
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
Het nadere procesverloop bestaat uit:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 mei 2024, en alle daarin opgenomen en genoemde stukken;
- de briefrapportage van de GI van 21 juni 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 21 juni 2024;
- de instemmingsverklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, mevrouw dr. [naam], van 27 juni 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 27 juni 2024;
- het e-mailbericht van mr. De Nooijer van 27 juni 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 28 juni 2024 heeft de kinderrechter het verzoek tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren nader behandeld.
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig: - [minderjarige], die ook apart is gehoord, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader en de moeder, bijgestaan door een tolk in de Marokkaans-Arabische taal;
- een vertegenwoordigster van de GI en een collega;
- de gedragswetenschapper van [jeugdinstelling];
- de mentor van [minderjarige] vanuit [jeugdinstelling].
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 november 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van
9 november 2022 en tot 9 november 2023.
2.3.
Bij beschikking van 3 oktober 2023 is ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 3 oktober 2023 en tot 17 oktober 2023, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.4.
Bij beschikking van 11 oktober 2023 is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten met ingang van 11 oktober 2023 en tot 9 november 2023.
2.5.
Bij beschikking van 1 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 9 november 2023 en tot 9 mei 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Tevens is een machtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven voor de duur van drie maanden, met ingang van 9 november 2023 en tot 9 februari 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.6.
Bij beschikking van 1 februari 2024 is het resterende deel van de machtiging om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven verleend voor de duur van drie maanden, met ingang van 9 februari 2024 en tot 9 mei 2024.
2.7.
Bij beschikking van 1 mei 2024 is het resterende deel van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verleend, met ingang van 9 mei 2024 en tot 9 november 2024. Daarnaast is een machtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven voor de duur van twee maanden, met ingang van 9 mei 2024 en tot 9 juli 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.8.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [jeugdinstelling] te [plaats].
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van drie maanden.
3.2.
Op dit punt in de procedure moet de kinderrechter nog een beslissing nemen over het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige], te weten voor de periode van 9 juli 2024 en tot 9 augustus 2024.
3.3.
De gekwalificeerde gedragswetenschapper, mevrouw dr. [naam], stemt blijkens de instemmingsverklaring van 27 juni 2024 in met het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp.
4De nadere standpunten
4.1.
De GI handhaaft het restantverzoek. [minderjarige] heeft de afgelopen tijd mooie stappen gezet in [jeugdinstelling]. Zo lukt het haar steeds beter om openheid te geven over wat er in haar omgaat. Ook door de ouders wordt hard gewerkt aan het doorbreken van gedragspatronen. Dit is wel een lastig en langdurig proces. Ondanks deze positieve ontwikkelingen blijven de zorgen over [minderjarige] en onder andere haar drugsgebruik onverminderd groot, zoals ook is gebleken uit de recente, ernstige terugval van [minderjarige]. Voor de komende periode is het van belang dat er een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] wordt gevonden. De GI gaat er alles aan doen om dit zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen, gelet ook op de forse weerstand van [minderjarige] ten aanzien van haar verblijf in [jeugdinstelling]. De afgelopen tijd is wel gebleken dat de zorgen over [minderjarige] nog te groot zijn voor een plaatsing op een open groep en dat het door [minderjarige] gewenste buitenlandtraject in Spanje geen optie meer is vanwege de recente terugval. Inmiddels is er wel zicht op een ander buitenlandtraject in Spanje en is [minderjarige] met spoed aangemeld bij [kliniek], waar een wachtlijst geldt van maximaal drie maanden. Een tussentijdse opname van [minderjarige] in een afkickkliniek heeft voor de GI niet de voorkeur, omdat [minderjarige] ook op andere gebieden dan enkel voor haar verslaving begeleiding en behandeling nodig heeft, hetgeen haar daar niet kan worden geboden. Voor een dergelijke kliniek gelden bovendien ook wachtlijsten. De periode overbruggen door [minderjarige] tijdelijk weer bij haar ouders te laten verblijven vindt de GI evenmin wenselijk. Dat komt mede door de forse problematiek van [minderjarige] en de omstandigheid dat de ouders nog over onvoldoende draagkracht beschikken om haar daarin goed te kunnen ondersteunen, maar ook omdat de relatie tussen [minderjarige] en de ouders op dit moment erg kwetsbaar is en, mocht het in de thuissituatie dan niet goed verlopen, verder onder druk komt te staan. Daarbij komt dat moet worden voorkomen dat [minderjarige] telkens wordt overgeplaatst.
4.2.
De gedragswetenschapper benoemt dat [minderjarige] zich de afgelopen tijd goed heeft ontwikkeld, maar dat er ook nog steeds veel zorgen over haar zijn. Deze zorgen zijn de afgelopen periode steeds verder toegenomen naarmate de vrijheden van [minderjarige] werden opgebouwd en hebben uiteindelijk geleid tot de recente terugval van [minderjarige]. Op dit moment wordt er weer toegewerkt naar een uitbreiding van de vrijheden van [minderjarige], waarbij de risico’s goed worden afgewogen. De gedragswetenschapper benoemt voorts dat de therapie van [minderjarige] goed verloopt, maar nog niet in de afrondende fase is. Ook de traumabehandeling is nog volop in gang. Daarnaast zijn er de afgelopen tijd stappen gezet in het aanpakken van de oorzaken van de zucht van [minderjarige] naar middelen. Dit zijn nog kleine stappen en omdat deze niet direct invloed hebben op de zucht van [minderjarige], is het begrijpelijk dat het voor [minderjarige] voelt alsof zij stil staat. Verder wordt er hard gewerkt om ervoor te zorgen dat [minderjarige] op korte termijn bij [kliniek] terecht kan, waar verder kan worden gewerkt aan de verslavingsproblematiek van [minderjarige]. Hoe snel dit lukt is afhankelijk van de wachttijden.
De gedragswetenschapper vindt het niet veilig om [minderjarige] in de tussentijd bij haar ouders te laten verblijven. Ondanks dat het haar in [jeugdinstelling] ook lukt om aan middelen te komen, is de drempel daarvoor hier wel hoger dan thuis. Ook wordt [minderjarige] in [jeugdinstelling] de juiste setting en nabijheid geboden en wordt zij ook op andere vlakken dan enkel voor haar verslaving geholpen. Dat lukt in de thuissituatie niet.
4.3.
De mentor benoemt dat het ook een tijdlang goed is gegaan met [minderjarige] toen zij meer vrijheden kreeg. De risico’s op een misstap blijven echter bestaan en zijn volgens de mentor onderdeel van het proces.
4.4.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het restantverzoek moet worden afgewezen. Zij wil absoluut niet langer in [jeugdinstelling] verblijven. [minderjarige] verlangt ernaar om weer vrijheden te hebben, haar eigen ding te kunnen doen en af te kunnen spreken met vrienden. Zij heeft bovendien het gevoel dat zij al lange tijd stilstaat in [jeugdinstelling] nu de therapie en behandelingen voor haar gevoel grotendeels zijn afgerond. Verder vertelt [minderjarige] dat zij recent een terugval heeft gehad, omdat zij het echt niet meer zag zitten in [jeugdinstelling] en geen andere uitweg zag. Zij weet dat het niet goed voor haar is om drugs te gebruiken, maar haar verslaving neemt het op zulke momenten van haar over.
Beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat, naast de formele vereisten in de Jeugdwet, is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet en zal het restantverzoek van de GI toewijzen. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van één maand zal verlenen, met ingang van 9 juli 2024 en tot 9 augustus 2024. De kinderrechter legt hierna uit waarom hij deze beslissing neemt.
5.3.
Daarbij merkt de kinderrechter allereerst op dat de kinderrechter, anders dan de advocaat van [minderjarige], van mening is dat de verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ondanks dat niet kan worden vastgesteld of de gedragswetenschapper zich voor het opstellen van de verklaring volledig op de juiste stukken heeft gebaseerd, stelt de kinderrechter vast dat de stukken waarvan de gedragswetenschapper kennis heeft genomen geen verkeerde representatie bevatten van de huidige situatie rond [minderjarige] en hetgeen daarover bekend is bij alle betrokkenen. Er is voldoende sprake van overeenkomst van de gegevens in het rapport en hetgeen daarover is opgenomen in de overige ingediende stukken. Het verweer van de advocaat wordt daarom gepasseerd.
5.4.
De kinderrechter stelt vervolgens vast dat [minderjarige] de afgelopen periode hard heeft gewerkt en zich op een positieve wijze heeft ontwikkeld. Daarvoor verdient zij een compliment. Ook de ouders hebben de afgelopen tijd goede stappen gezet, welke de komende tijd verder moeten worden uitgebouwd. Ondanks deze positieve ontwikkelingen zijn er nog steeds forse zorgen over [minderjarige], onder meer gelegen in haar belaste verleden en haar verslavingsproblematiek. De recente, ernstige terugval van [minderjarige] in middelengebruik vindt de kinderrechter gelet daarop niet onbegrijpelijk, maar uiteraard wel zeer zorgelijk en ook onveilig vanwege de vele risico’s daarvan op blijvende, ernstige (gezondheid)schade.
5.5.
Mede gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat er voor [minderjarige] een passende vervolgplek moet worden gevonden waar [minderjarige] kan werken aan haar verslavingsproblematiek, de voor haar benodigde vervolgbehandelingen en therapieën kunnen worden ingezet en zij goed kan worden beschermd en begeleid. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] hier zeer gemotiveerd voor is. De kinderrechter begrijpt dat er hard wordt gezocht naar een geschikte vervolgplek en dat er op dit moment zicht is op twee opties; een buitenlandtraject in Spanje of een traject bij [kliniek], maar dat er nog niet duidelijk is of en binnen welke termijn deze kunnen worden ingezet. Gelet daarop stelt de kinderrechter vast dat er op dit moment nog geen passend of minder ingrijpend alternatief dan de gesloten plaatsing van [minderjarige] in [jeugdinstelling] voorhanden is, waardoor de kinderrechter het noodzakelijk vindt dat deze plaatsing de komende maand nog wordt voortgezet. Daarbij verwacht de kinderrechter wel dat er gedurende de komende maand meer duidelijkheid gaat ontstaan over de vervolgplek van [minderjarige]. De kinderrechter kan zich niet voorstellen dat een plaatsing in [jeugdinstelling] na de volgende maand nog steeds de enige beschikbare optie is voor [minderjarige]. Mocht een vervolgplaatsing in het buitenland of bij [kliniek] niet ogenblikkelijk lukken, dan dient er de komende maand in samenwerking met [jeugdinstelling] een plaatsing op een open groep te worden gerealiseerd, wellicht met een voorwaardelijke machtiging, zodat [minderjarige] daar haar ambitie kan laten zien om verder aan zichzelf te werken en haar tegelijkertijd voldoende bescherming en de juiste begeleiding kan worden geboden. Een tijdelijk verblijf van [minderjarige] bij de ouders vindt de kinderrechter gelet op de forse problematiek van [minderjarige], de stappen die de ouders nog moeten zetten en de nog kwetsbare relatie tussen [minderjarige] en haar ouders op dit moment nog niet in het belang van [minderjarige].
5.6.
Met het voorgaande staat naar het oordeel van de kinderrechter vast dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van een machtiging gesloten jeugdzorg. Daarom zal hij het verzoek toewijzen voor de resterende duur, te weten tot 9 augustus 2024.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van één maand, met ingang van 9 juli 2024 en tot 9 augustus 2024.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.