Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-30
ECLI:NL:RBZWB:2024:4651
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/422137 / JE RK 24-839
datum uitspraak: 30 mei 2024
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[minderjarige] , voornoemd,
en
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
locatie Tilburg.
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende stuk:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 1 mei 2024, ingekomen bij de griffie op 1 mei 2024.
Op 30 mei 2024 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Op deze mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
[minderjarige] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een gesprek met de kinderrechter. Van deze mogelijkheid heeft [minderjarige] geen gebruik gemaakt.
Feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Het verzoek
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
De Raad geeft aan dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt in haar leven. Zij is meerdere keren verhuisd, waardoor zij ook vaak van school is gewisseld. Ook is zij getuige geweest van ruzies tussen haar moeder en ex-partner(s) en heeft zij niet altijd kunnen rekenen op de aanwezigheid van haar moeder. In de afgelopen periode zijn er positieve stappen gezet. Sinds drie maanden is het gezin gestart met een intensief hulpverleningstraject in de vorm van MST-CAN (Multi Systeem Therapie – Child Abuse and Neglect). Ook de moeder heeft haar verantwoordelijkheid als ouder genomen en hard aan zichzelf gewerkt. De Raad complimenteert de moeder hiermee. Ondanks deze positieve stappen maakt de Raad zich nog steeds zorgen om [minderjarige] . De grootste zorg is de schoolgang van [minderjarige] en haar verzuim, maar er bestaan ook zorgen of [minderjarige] in staat is haar eigen grenzen aan te geven. Daarnaast lijkt tussen [minderjarige] en de moeder sprake te zijn van een gelijkwaardige relatie en accepteert [minderjarige] onvoldoende de door de moeder gestelde grenzen. Het is belangrijk dat er meer zicht komt op de ontwikkeling en de emotieregulatie van [minderjarige] , zodat specifieke ondersteuning/hulpverlening kan worden ingezet. Ook is het voor de moeder van belang dat zij de positieve ontwikkeling vasthoudt en dat de noodzakelijke hulpverlening gewaarborgd blijft. De moeder staat er alleen voor en het is belangrijk dat zij wordt ondersteund. Gelet op het bovenstaande vindt de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden nodig.
Bij de Raad heeft [minderjarige] aangegeven het absoluut niet eens te zijn met de gevraagde ondertoezichtstelling.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven zich grote zorgen te maken over [minderjarige] . Zij heeft alles geprobeerd om [minderjarige] naar school te laten gaan, maar het is niet gelukt. De moeder geeft aan dat zij onvoldoende overwicht heeft om [minderjarige] te begrenzen. [minderjarige] kan haar manipuleren. De moeder heeft zich inmiddels aangemeld voor een weerbaarheidstraining om hiermee om te leren gaan. De moeder stemt in met de gevraagde ondertoezichtstelling, omdat zij het niet alleen kan en meer hulp nodig heeft.
Namens de GI is aangegeven dat zij zich ook zorgen maakt over [minderjarige] en dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Het is belangrijk dat [minderjarige] meer hulp krijgt. Er zal samen moeten worden gekeken naar wat passend is bij [minderjarige] om haar weer naar school te krijgen en ervoor te zorgen dat zij ook naar school blijft gaan. De GI vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] weerbaarder wordt om haar grenzen aan te geven.
Beoordeling
Op basis van de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling (artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Ondanks dat positieve stappen zijn gezet, wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er is sprake van structureel schoolverzuim en tot op heden is het niet gelukt om dit te doorbreken. De kinderrechter heeft begrepen dat [minderjarige] inmiddels via [zorgloket] is aangemeld bij het [scholingstraject] , maar dit is een tussenfase en alle zeilen moeten worden bijgezet om [minderjarige] structureel naar school te laten gaan. Verder maakt de kinderrechter zich ook zorgen of [minderjarige] voldoende haar grenzen kan aangeven. Daarom is het belangrijk dat [minderjarige] weerbaarder wordt in haar sociale contacten. Ook heeft de moeder handvatten nodig om ervoor te zorgen dat zij structuur en grenzen kan geven richting [minderjarige] en haar weerbaarder te maken tegen mogelijk manipulatief gedrag vanuit [minderjarige] . Gelet op genoemde zorgen zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en de ondertoezichtstelling uitspreken voor de duur van twaalf maanden. De kinderrechter benadrukt dat de gezinsvoogd te maken zal krijgen met een meid die absoluut geen ondertoezichtstelling wil en waarschijnlijk alles in het werk zal stellen om niet mee te werken. Het is daarom van belang dat de personen die op dit moment in het leven van [minderjarige] aanwezig zijn, en overwicht op haar hebben en voor wie zij respect heeft, behouden blijven. Mogelijk dat deze personen in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen bijdragen aan het uitvoeren van de gestelde doelen voor [minderjarige] waardoor stappen kunnen worden gezet.
Tijdens de ondertoezichtstelling moet in ieder geval gewerkt worden aan de doelen zoals omschreven door de Raad in haar rapport, te weten:
- [minderjarige] heeft geen last meer van nachtmerries, paniekaanvallen of regelmatige hoofdpijnklachten en gaat naar school;
- [minderjarige] kan haar emoties op adequate wijze uiten;
- [minderjarige] is sociaal weerbaar en kan goed haar behoeften en grenzen aangeven (ook op seksueel vlak);
- [minderjarige] heeft een positief steunend netwerk;
- [minderjarige] ervaart voorspelbaarheid, duidelijkheid en veiligheid in de opvoedingssituatie en in de relatie met moeder;
- [minderjarige] heeft vertrouwen in de draagkracht en de persoonlijke stabiliteit van haar moeder en kan zich richten op haar eigen ontwikkeling.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat zij, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing.
Dictum
De kinderrechter
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 mei 2024 tot 30 mei 2025;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier.
De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 14 juni 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.