Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:4386
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
730 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2521
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. A.C.F. Berkhof),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda
(gemachtigde: [naam 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [plaats] (de vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een carport. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
Het college heeft de vergunning met het besluit van 23 januari 2024 verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Vergunninghouder heeft schriftelijk verklaard dat hij in afwachting van de bodemzaak geen gebruik zal maken van de omgevingsvergunning. Hij heeft aangegeven pas te willen gaan bouwen als er duidelijkheid is over de verleende vergunning. Dit is aan verzoekers voorgelegd. Zij hebben ondanks dat ze daar twee keer een termijn voor hebben gekregen niet op gereageerd. Er is dus geen aanleiding om aan te nemen dat vergunninghouder inderdaad de bezwaarprocedure niet af zal wachten. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. R.J. Wesel, griffier, op 28 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.