Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:4384
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3336
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam] ),
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.
Procesverloop
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 februari 2024 waarin de minister de aanvraag tot het aanpassen van een afgegeven bemanningscertificaat heeft afgewezen. Verzoekster heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Op 21 mei 2024 heeft de minister alsnog een aangepast bemanningscertificaat aan verzoekster afgegeven waarbij de eis dat ten minste één bemanningslid in het bezit moet zijn van een geldig certificaat, is geschrapt.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek de minister te veroordelen in de proceskosten. De minister heeft de voorzieningenrechter verzocht om zonder zitting een beslissing te nemen over de proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1.1
Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
1.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het aangepaste bemanningscertificaat dat de minister aan verzoekster is tegemoetgekomen. Het verzoek van verzoekster zag erop dat zij van mening was dat zij belemmerd werd in haar bedrijfsvoering doordat in het voorheen afgegeven bemanningscertificaat de eis was opgenomen dat ten minste één bemanningslid in het bezit moet zijn van een geldig certificaat. Doordat deze eis is geschrapt in het op 21 mei 2024 afgegeven bemanningscertificaat, is volledig tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster.
1.3
Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met wegingsfactor 1).
1.4
Nu de minister aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om de minister tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechterrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 28 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.