Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:4358
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,331 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3345
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het UWV van 8 december 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat het UWV het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 8 december 2023 door verzending per post. Eiseres heeft op 5 april 2024 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiseres heeft als reden voor te late indiening van het beroep aangevoerd dat haar gemachtigde op 16 januari 2024 digitaal beroep wilde instellen. Gemachtigde nam aan dat hij die dag een e-mail met een beroepschrift aan de rechtbank had gestuurd. Op 2 april 2024, toen de beroepstermijn al was verstreken, merkte de gemachtigde dat de e-mail niet was verzonden. De e-mail was in plaats daarvan als concept opgeslagen. De oorzaak daarvan kan niet meer worden achterhaald, maar mogelijk was er sprake van een fout in het apparaat. Volgens eiseres is de oorzaak van de termijnoverschrijding een aanvaardbare reden om de te late indiening verontschuldigbaar te vinden.
5.1
De rechtbank oordeelt dat de te late indiening van het beroep niet verontschuldigbaar is. Eiseres werd tijdens de beroepstermijn bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, namelijk de gemachtigde. In dat geval komt het handelen of het nalaten van de gemachtigde voor risico van eiseres. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de kantoorapparatuur de gemachtigde niet goed zou hebben gewerkt. Het had op de weg van gemachtigde gelegen na te gaan of de e-mail daadwerkelijk was verzonden, zeker op het moment dat een ontvangstbevestiging uitbleef. Er is daarnaast niet gebleken van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden bij de gemachtigde waardoor het beroepschrift niet tijdig is en kon worden ingediend.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. Th. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 24 juni 2024 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
College van Beroep voor het Bedrijfsleven, uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:33.