Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:4315
Strafrecht
Op tegenspraak
1,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Jeugd
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-184692-22
vonnis van de meervoudige kamer van 10 juni 2024
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats],
wonende te [woonadres],
raadsman mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 10 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2/3 augustus 2021 openlijk in verenging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de ontkennende verklaring van verdachte en het feit dat uit het dossier onvoldoende blijkt welke rol verdachte heeft gehad ten aanzien van het geweld. De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken, nu niet blijkt dat verdachte een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is, met de officier van justitie, van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging kan komen en wijst daarbij op de ontkennende verklaring van verdachte en het feit dat de aangiften en de verklaringen van de medeverdachten op belangrijke punten van elkaar verschillen. Hieruit blijkt niet dat verdachte een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging. De verdediging verzoekt dan ook om verdachte vrij te spreken van het feit.
4.3
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 2 augustus 2021 het slachtoffer zijn geworden van openlijke geweldpleging. Zij waren die dag op de kermis in Hoek. Aangevers zouden ‘verkeerd’ naar de groep van verdachten hebben gekeken en toen zij het kermisterrein verlieten, werden zij door een groepje jongens achterna gezeten. Vervolgens is er door het groepje jongens geweld gebruikt.
Verdachte heeft steeds stellig, zowel bij de politie als ter zitting, ontkend dat hij geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gebruikt. Verdachte heeft verklaard dat hij de situatie probeerde te sussen en dat hij tegen de medeverdachten juist heeft gezegd dat zij de aangevers moesten loslaten, waarna verdachte is weggegaan.
De rechtbank stelt vast dat de aangiften en de verklaringen van de medeverdachten op essentiële punten van elkaar verschillen als het gaat om de rol die verdachte bij de openlijke geweldpleging zou hebben gehad. Op basis van het dossier en hetgeen op de zitting is besproken, kan worden vastgesteld dat verdachte is meegelopen met het groepje jongens dat achter de aangevers is aangegaan. Hiermee is niet vast komen te staan dat verdachte een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het tegen aangevers gepleegde geweld. Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde feit.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.J. Zuijdweg en mr. M.A.H. Kempen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 juni 2024.
Mr. Kempen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.