Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:4225
Strafrecht
Op tegenspraak
9,298 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/275572-21
vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [plaats] op [geboortedag] 2000,wonende te [woonadres] ,raadsvrouw: mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat
verdachte op 15 september 2019 samen met drie anderen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft aangerand (feit 1) en met deze andere personen [slachtoffer] op straat heeft beroofd (feit 2).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde aanranding wel wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaringen van [slachtoffer] , de aangifte die de vader van [slachtoffer] namens haar heeft gedaan en het aangetroffen DNA van verdachte op het lichaam van [slachtoffer] . De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en consistent en de DNA sporen passen bij haar verhaal. Ook de dwang acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van feit 2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat voor feit 1 vrijspraak dient te volgen. Verdachte erkent dat hij [slachtoffer] bij de borsten heeft aangeraakt, maar dit was bij [slachtoffer] uit vrije wil. De verklaring van [slachtoffer] is op diverse punten discutabel. De dwang kan niet bewezen worden.
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 september 2019 seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht, maar dat zij dit zelf wilde. Volgens verdachte was het [slachtoffer] zelf die haar kleding heeft uitgetrokken en met een ontbloot bovenlichaam voor de jongens stond. Ter zitting heeft verdachte hieraan toegevoegd dat het de bedoeling was dat [slachtoffer] meerdere jongens zou pijpen en neuken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte in eerste instantie bij de politie aangaf van niets te weten en ook niets te willen verklaren. Verdachte heeft hij pas na de confrontatie van de DNA-sporen verklaard dat hij inderdaad handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd. Dit doet afbreuk aan zijn verklaring en maakt zijn verklaring onbetrouwbaar voor zover die verklaring afwijkt van de overige onderzoeksbevindingen.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
heeft direct dezelfde middag van het incident, op 15 september 2019, tegen een politieagent verteld dat zij is belaagd door vier Marokkaanse jongens. Een van de jongens was verdachte. Vervolgens heeft er die dag een informatief gesprek plaatsgevonden, waarin [slachtoffer] heeft aangegeven dat de jongens tegen haar wil haar T-shirt omhoog trokken, haar broek wilde openmaken, aan haar bh zaten en die naar beneden trokken. Verdachte heeft aan haar linkerborst gelikt. Daarna is zij op 7 oktober 2019 verhoord. Zij heeft daar een gedetailleerde verklaring afgelegd over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard. Vier jongens hebben haar bij haar borsten vastgepakt en een van de jongens heeft haar ook in haar borsten geknepen. Verdachte heeft haar bh naar beneden getrokken, vervolgens aan haar linkerborst gelikt en heeft haar in haar billen geknepen. [medeverdachte] heeft zijn broek naar beneden gedaan en probeerde de hand van [slachtoffer] naar zijn piemel te krijgen. Verdachte heeft ook geprobeerd om haar broeksknoop te openen, maar [slachtoffer] gaf aan op dat moment ongesteld te zijn. De jongens zijn vervolgens gestopt.
[slachtoffer] heeft dus zowel tegen een politieagent, tijdens het informatieve gesprek en tijdens het verhoor consistent en gedetailleerd verklaard over het gebeurde. Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer] op meerdere punten bevestiging in de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij samen met drie andere jongens met [slachtoffer] bij de sportvelden bij [locatie] was, dat hij aan haar borsten heeft gezeten, aan haar borsten heeft gelikt en in haar billen heeft geknepen en dat de jongens uit waren op verdergaande seksuele handelingen, zoals pijpen en neuken. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in het DNA van de verdachte dat op de linker tepel en op de buik bij de navel/broeksband van [slachtoffer] is aangetroffen. Dit ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] over de handelingen die verdachte heeft gepleegd, namelijk het likken van de tepel en het trachten de broeksknoop te openen. Van [medeverdachte] is ook DNA in de omgeving van de tepel van [slachtoffer] aangetroffen.
Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat de rechtbank voor het bewijs van het ten laste gelegde dan ook van deze verklaring uit.
Dwang
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van de voor een bewezenverklaring van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht vereiste dwang. Uit het bestanddeel ‘dwingen’ volgt het vereiste dat het (voorwaardelijk) opzet mede omvat het tegen de wil van het slachtoffer doen ondergaan van de ontuchtige handeling. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij tegen haar wil de ontuchtige handelingen heeft moeten dulden. Zij heeft geprobeerd de jongens van zich af te duwen en van zich af te slaan. Ook heeft ze “nee” en “stop” gezegd en geroepen dat de jongens van haar af moesten blijven.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en de drie andere jongens door hun numerieke overwicht een situatie doen ontstaan waarin [slachtoffer] zich niet aan de ontuchtige handelingen kon onttrekken en waarin zij dus werd gedwongen deze te ondergaan. [slachtoffer] heeft duidelijke signalen afgegeven dat zij deze handelingen niet wilde ondergaan en deze signalen moet verdachte ook zijn opgevallen. Het feit dat haar tas tijdens deze handelingen op zo’n wijze is gevallen dat er spullen uitvielen sterkt de rechtbank in deze overtuiging. Door toch de ontuchtige handelingen te plegen, kan het niet anders dan dat zin opzet ook was gericht op het [slachtoffer] tegen haar wil doen ondergaan van deze handelingen.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich aldus samen met anderen schuldig gemaakt aan het dwingen van [slachtoffer] , door een andere feitelijkheid, om ontuchtige handelingen te dulden.
Feit 2:
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de tenlastegelegde diefstal met geweld. Om die reden dient vrijspraak te volgen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.op 15 september 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen bestaande uit het betasten van en knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en het knijpen in en slaan op de billen van die [slachtoffer] en het likken van de van de borsten van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheid uit het onverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en het omsingelen/in het nauw drijven van die [slachtoffer] en het trekken aan en losmaken van en trachten los te maken van enige kleding van die [slachtoffer] en het met ontbloot geslachtsdeel voor die [slachtoffer] te gaan staan en het die [slachtoffer] toevoegen van de woorden 'Doe je broek uit' en 'Ga me pijpen'.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, acht de verdediging een taakstraf van tussen de zestig en tachtig uren passend.
6.3
Beoordeling
De destijds negentienjarige verdachte heeft samen met drie andere jongens een dertienjarig meisje aangerand. Hij heeft haar gebeld en gevraagd om naar buiten te komen. Achter een gebouw bij een sportpark is bij het slachtoffer aan haar borsten gezeten, aan haar borsten gelikt en in haar billen geknepen. Hiermee heeft hij op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft niet stil gestaan bij de gevolgen voor het slachtoffer en heeft alleen aan zijn eigen behoeften gedacht. Dergelijke feiten kunnen voor minderjarigen zeer ernstige gevolgen hebben die zij nog lange tijd met zich dragen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder en evenmin na de ten laste gelegde periode voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 22 mei 2024 en een brief van de reclassering van 15 juni 2023, waaruit blijkt dat het meermaals niet is gelukt om met verdachte in contact te komen. Er zijn in 2023 en 2024 totaal vier brieven uitgegaan naar verdachte, waarop hij niet heeft gereageerd. Ook zou de vraag zijn uitgezet naar de raadsvrouw van verdachte om contact met de reclassering op te nemen, zonder resultaat.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de nog jeugdige leeftijd van verdachte toen hij het feit pleegde. Hij was namelijk nog maar negentien jaar oud. Dit zal de rechtbank in strafverminderende zin meewegen. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte tijdens de zitting op geen enkel moment enige verantwoordelijkheid heeft genomen over de door hem gepleegde ontuchtige handelingen. Integendeel, verdachte heeft de schuld volledig bij het slachtoffer gelegd en zich respectloos over haar uitgelaten.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van de verdediging op het procesverloop. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 14 juni 2021, de datum waarop verdachte is aangehouden. De zaak is op verzoek van de verdediging op 18 juli 2023 aangehouden in verband met het (alsnog) laten opstellen van een reclasseringsrapport. Verdachte is vervolgens opnieuw niet in contact gekomen met de reclassering. De tijd vanaf 1 augustus 2023 – de datum dat aanvankelijk einduitspraak zou zijn gedaan – komt voor rekening van de verdachte. Er is daarom sprake van een zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat met een constatering daarvan.
Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats. Tegelijkertijd houdt de rechtbank in strafverminderde zin rekening mee – hoewel er slechts sprake is van een geringe overschrijding van de redelijk termijn – dat sprake is van een zeer aanzienlijk tijdsverloop van bijna vijf jaar na het incident.
Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uur, bij niet uitvoeren te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. van Beelen, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juni 2024.
De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 15 september 2019 te [plaats] , tezamen en invereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of een anderefeitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtigehandelingen bestaande uit het betasten van en/of knijpen in de borst(en) van die[slachtoffer] en/of het betasten van en/of knijpen in en/of slaan op de billen van die [slachtoffer]en/of het zoenen en/of likken van de/één van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of hetzoenen en/of likken van de buik van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of eenandere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit hetonverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en/of het omsingelen/in het nauw drijven vandie [slachtoffer] en/of het trekken aan en/of losmaken van en/of trachten los te maken vanenige kleding van die [slachtoffer] en/of het met ontbloot geslachtsdeel/penis voor die,althans in de aanwezigheid van, die [slachtoffer] te gaan staan en/of het die [slachtoffer]toevoegen van de woorden 'Doe je broek uit' en/of 'Ga me pijpen', althans woordenvan gelijke aard en/of strekking;
2hij op of omstreeks 15 september 2019 te [plaats]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een gsm en/of earpods, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten deleaan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd vangeweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk omdie diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping opheterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vluchtmogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door hetonverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en/of het omsingelen/in het nauw drijven vandie [slachtoffer] en/of het betasten van de/een borst(en) en/of billen van die [slachtoffer] en/ofhet trekken aan en/of losmaken van en/of trachten los te maken van en/of voelenin/doorzoeken van (een) zak(ken) van enige kleding van die [slachtoffer] .
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/275572-21
vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [plaats] op [geboortedag] 2000,wonende te [woonadres] ,raadsvrouw: mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat
verdachte op 15 september 2019 samen met drie anderen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft aangerand (feit 1) en met deze andere personen [slachtoffer] op straat heeft beroofd (feit 2).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde aanranding wel wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaringen van [slachtoffer] , de aangifte die de vader van [slachtoffer] namens haar heeft gedaan en het aangetroffen DNA van verdachte op het lichaam van [slachtoffer] . De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en consistent en de DNA sporen passen bij haar verhaal. Ook de dwang acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van feit 2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat voor feit 1 vrijspraak dient te volgen. Verdachte erkent dat hij [slachtoffer] bij de borsten heeft aangeraakt, maar dit was bij [slachtoffer] uit vrije wil. De verklaring van [slachtoffer] is op diverse punten discutabel. De dwang kan niet bewezen worden.
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 september 2019 seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht, maar dat zij dit zelf wilde. Volgens verdachte was het [slachtoffer] zelf die haar kleding heeft uitgetrokken en met een ontbloot bovenlichaam voor de jongens stond. Ter zitting heeft verdachte hieraan toegevoegd dat het de bedoeling was dat [slachtoffer] meerdere jongens zou pijpen en neuken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte in eerste instantie bij de politie aangaf van niets te weten en ook niets te willen verklaren. Verdachte heeft hij pas na de confrontatie van de DNA-sporen verklaard dat hij inderdaad handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd. Dit doet afbreuk aan zijn verklaring en maakt zijn verklaring onbetrouwbaar voor zover die verklaring afwijkt van de overige onderzoeksbevindingen.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
heeft direct dezelfde middag van het incident, op 15 september 2019, tegen een politieagent verteld dat zij is belaagd door vier Marokkaanse jongens. Een van de jongens was verdachte. Vervolgens heeft er die dag een informatief gesprek plaatsgevonden, waarin [slachtoffer] heeft aangegeven dat de jongens tegen haar wil haar T-shirt omhoog trokken, haar broek wilde openmaken, aan haar bh zaten en die naar beneden trokken. Verdachte heeft aan haar linkerborst gelikt. Daarna is zij op 7 oktober 2019 verhoord. Zij heeft daar een gedetailleerde verklaring afgelegd over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard. Vier jongens hebben haar bij haar borsten vastgepakt en een van de jongens heeft haar ook in haar borsten geknepen. Verdachte heeft haar bh naar beneden getrokken, vervolgens aan haar linkerborst gelikt en heeft haar in haar billen geknepen. [medeverdachte] heeft zijn broek naar beneden gedaan en probeerde de hand van [slachtoffer] naar zijn piemel te krijgen. Verdachte heeft ook geprobeerd om haar broeksknoop te openen, maar [slachtoffer] gaf aan op dat moment ongesteld te zijn. De jongens zijn vervolgens gestopt.
[slachtoffer] heeft dus zowel tegen een politieagent, tijdens het informatieve gesprek en tijdens het verhoor consistent en gedetailleerd verklaard over het gebeurde. Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer] op meerdere punten bevestiging in de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij samen met drie andere jongens met [slachtoffer] bij de sportvelden bij [locatie] was, dat hij aan haar borsten heeft gezeten, aan haar borsten heeft gelikt en in haar billen heeft geknepen en dat de jongens uit waren op verdergaande seksuele handelingen, zoals pijpen en neuken. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in het DNA van de verdachte dat op de linker tepel en op de buik bij de navel/broeksband van [slachtoffer] is aangetroffen. Dit ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] over de handelingen die verdachte heeft gepleegd, namelijk het likken van de tepel en het trachten de broeksknoop te openen. Van [medeverdachte] is ook DNA in de omgeving van de tepel van [slachtoffer] aangetroffen.
Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat de rechtbank voor het bewijs van het ten laste gelegde dan ook van deze verklaring uit.
Dwang
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van de voor een bewezenverklaring van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht vereiste dwang. Uit het bestanddeel ‘dwingen’ volgt het vereiste dat het (voorwaardelijk) opzet mede omvat het tegen de wil van het slachtoffer doen ondergaan van de ontuchtige handeling. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij tegen haar wil de ontuchtige handelingen heeft moeten dulden. Zij heeft geprobeerd de jongens van zich af te duwen en van zich af te slaan. Ook heeft ze “nee” en “stop” gezegd en geroepen dat de jongens van haar af moesten blijven.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en de drie andere jongens door hun numerieke overwicht een situatie doen ontstaan waarin [slachtoffer] zich niet aan de ontuchtige handelingen kon onttrekken en waarin zij dus werd gedwongen deze te ondergaan. [slachtoffer] heeft duidelijke signalen afgegeven dat zij deze handelingen niet wilde ondergaan en deze signalen moet verdachte ook zijn opgevallen. Het feit dat haar tas tijdens deze handelingen op zo’n wijze is gevallen dat er spullen uitvielen sterkt de rechtbank in deze overtuiging. Door toch de ontuchtige handelingen te plegen, kan het niet anders dan dat zin opzet ook was gericht op het [slachtoffer] tegen haar wil doen ondergaan van deze handelingen.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich aldus samen met anderen schuldig gemaakt aan het dwingen van [slachtoffer] , door een andere feitelijkheid, om ontuchtige handelingen te dulden.
Feit 2:
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de tenlastegelegde diefstal met geweld. Om die reden dient vrijspraak te volgen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.op 15 september 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen bestaande uit het betasten van en knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en het knijpen in en slaan op de billen van die [slachtoffer] en het likken van de van de borsten van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheid uit het onverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en het omsingelen/in het nauw drijven van die [slachtoffer] en het trekken aan en losmaken van en trachten los te maken van enige kleding van die [slachtoffer] en het met ontbloot geslachtsdeel voor die [slachtoffer] te gaan staan en het die [slachtoffer] toevoegen van de woorden 'Doe je broek uit' en 'Ga me pijpen'.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, acht de verdediging een taakstraf van tussen de zestig en tachtig uren passend.
6.3
Beoordeling
De destijds negentienjarige verdachte heeft samen met drie andere jongens een dertienjarig meisje aangerand. Hij heeft haar gebeld en gevraagd om naar buiten te komen. Achter een gebouw bij een sportpark is bij het slachtoffer aan haar borsten gezeten, aan haar borsten gelikt en in haar billen geknepen. Hiermee heeft hij op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft niet stil gestaan bij de gevolgen voor het slachtoffer en heeft alleen aan zijn eigen behoeften gedacht. Dergelijke feiten kunnen voor minderjarigen zeer ernstige gevolgen hebben die zij nog lange tijd met zich dragen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder en evenmin na de ten laste gelegde periode voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 22 mei 2024 en een brief van de reclassering van 15 juni 2023, waaruit blijkt dat het meermaals niet is gelukt om met verdachte in contact te komen. Er zijn in 2023 en 2024 totaal vier brieven uitgegaan naar verdachte, waarop hij niet heeft gereageerd. Ook zou de vraag zijn uitgezet naar de raadsvrouw van verdachte om contact met de reclassering op te nemen, zonder resultaat.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de nog jeugdige leeftijd van verdachte toen hij het feit pleegde. Hij was namelijk nog maar negentien jaar oud. Dit zal de rechtbank in strafverminderende zin meewegen. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte tijdens de zitting op geen enkel moment enige verantwoordelijkheid heeft genomen over de door hem gepleegde ontuchtige handelingen. Integendeel, verdachte heeft de schuld volledig bij het slachtoffer gelegd en zich respectloos over haar uitgelaten.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van de verdediging op het procesverloop. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 14 juni 2021, de datum waarop verdachte is aangehouden. De zaak is op verzoek van de verdediging op 18 juli 2023 aangehouden in verband met het (alsnog) laten opstellen van een reclasseringsrapport. Verdachte is vervolgens opnieuw niet in contact gekomen met de reclassering. De tijd vanaf 1 augustus 2023 – de datum dat aanvankelijk einduitspraak zou zijn gedaan – komt voor rekening van de verdachte. Er is daarom sprake van een zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat met een constatering daarvan.
Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats. Tegelijkertijd houdt de rechtbank in strafverminderde zin rekening mee – hoewel er slechts sprake is van een geringe overschrijding van de redelijk termijn – dat sprake is van een zeer aanzienlijk tijdsverloop van bijna vijf jaar na het incident.
Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uur, bij niet uitvoeren te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. van Beelen, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juni 2024.
De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 15 september 2019 te [plaats] , tezamen en invereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of een anderefeitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtigehandelingen bestaande uit het betasten van en/of knijpen in de borst(en) van die[slachtoffer] en/of het betasten van en/of knijpen in en/of slaan op de billen van die [slachtoffer]en/of het zoenen en/of likken van de/één van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of hetzoenen en/of likken van de buik van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of eenandere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit hetonverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en/of het omsingelen/in het nauw drijven vandie [slachtoffer] en/of het trekken aan en/of losmaken van en/of trachten los te maken vanenige kleding van die [slachtoffer] en/of het met ontbloot geslachtsdeel/penis voor die,althans in de aanwezigheid van, die [slachtoffer] te gaan staan en/of het die [slachtoffer]toevoegen van de woorden 'Doe je broek uit' en/of 'Ga me pijpen', althans woordenvan gelijke aard en/of strekking;
2hij op of omstreeks 15 september 2019 te [plaats]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een gsm en/of earpods, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten deleaan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd vangeweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk omdie diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping opheterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vluchtmogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door hetonverhoeds benaderen van die [slachtoffer] en/of het omsingelen/in het nauw drijven vandie [slachtoffer] en/of het betasten van de/een borst(en) en/of billen van die [slachtoffer] en/ofhet trekken aan en/of losmaken van en/of trachten los te maken van en/of voelenin/doorzoeken van (een) zak(ken) van enige kleding van die [slachtoffer] .