Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-14
ECLI:NL:RBZWB:2024:4101
Strafrecht
Raadkamer
4,860 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. Roggenkamp, Molenstraat 10 te 4701 JS Roosendaal
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 30 oktober 2023 onder klager in beslag is genomen: een motorboot (speed) van het merk/type Wellcraft Scarab, registratienummer [nummer 1], rompnummer [nummer 2];
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 13 januari 2024 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 30 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie mr. M.E.W.G. Stals en mr. T. Roggenkamp als gemachtigd raadsman van klager.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Standpunt klager:
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager is aangehouden in verband met een verdenking van witwassen. In het kader van dit onderzoek is een boot in beslag genomen waarvan klager eigenaar is. Klager wenst gebruik te kunnen maken van de boot. Klager stelt dat geen sprake is van enige betrokkenheid bij een strafbaar feit, waardoor niet te verwachten valt dat de boot verbeurdverklaard zal worden of zal worden onttrokken aan het verkeer.
In raadkamer heeft de raadsman gepersisteerd bij het ingediende klaagschrift. In aanvulling daarop is aangevoerd dat het klaagschrift zich ook richt tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag. Klager heeft meerdere verklaringen bij de politie afgelegd over hoe hij aan het geld is gekomen, zoals onder meer uit schenkingen van zijn vader en de erfenis van zijn overleden moeder. De vader van klager is ook verhoord. Hij heeft bevestigd dat hij zijn zoon eens in de zoveel tijd geld geeft. Gelet hierop kan niet worden gesproken van witwassen en is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de boot zal bevelen.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. In aanvulling hierop is aangevoerd dat klager wordt verdacht van witwassen en dat er inmiddels zowel klassiek beslag als conservatoir beslag op de boot rust. Klager heeft, ondanks dat hij meermaals is gehoord, nog geen aannemelijke verklaring afgelegd over met welk geld hij de boot heeft kunnen aanschaffen. Evenmin blijkt de Informatiebox Criminele en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) dat klager de boot op een legale wijze heeft kunnen betalen. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift ongegrond te verklaren.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag. Zij overweegt daartoe dat klager wordt verdacht van witwassen. Op 30 oktober 2023 is, naar aanleiding van een tweetal TCI-meldingen, onder klager een motorboot in beslag genomen. Uit het proces-verbaal van aanvraag machtiging conservatoir beslag van 7 februari 2024 blijkt dat uit het financieel onderzoek, ondanks de verklaringen van klager, niet blijkt van een inkomen dat de aanschaf van een dergelijk vaartuig verklaarbaar maakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het – gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en mede gelet op het karakter van de raadkamerprocedure waarin aan de rechter slechts een marginale toetsing toekomt – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de motorboot zal bevelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Klager wordt namelijk verdacht van witwassen. De rechtbank is van oordeel dat het – gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en mede gelet op de machtiging van de rechter-commissaris van 16 februari 2024 waarbij een machtiging tot conservatoir beslag ter hoogte van € 120.250,00 is afgegeven – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van het in beslag genomen voorwerp zal opleggen, dan wel aan verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond te worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 14 mei 2024 gegeven door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. Roggenkamp, Molenstraat 10 te 4701 JS Roosendaal
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 30 oktober 2023 onder klager in beslag is genomen: een motorboot (speed) van het merk/type Wellcraft Scarab, registratienummer [nummer 1], rompnummer [nummer 2];
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 13 januari 2024 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 30 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie mr. M.E.W.G. Stals en mr. T. Roggenkamp als gemachtigd raadsman van klager.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Standpunt klager:
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager is aangehouden in verband met een verdenking van witwassen. In het kader van dit onderzoek is een boot in beslag genomen waarvan klager eigenaar is. Klager wenst gebruik te kunnen maken van de boot. Klager stelt dat geen sprake is van enige betrokkenheid bij een strafbaar feit, waardoor niet te verwachten valt dat de boot verbeurdverklaard zal worden of zal worden onttrokken aan het verkeer.
In raadkamer heeft de raadsman gepersisteerd bij het ingediende klaagschrift. In aanvulling daarop is aangevoerd dat het klaagschrift zich ook richt tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag. Klager heeft meerdere verklaringen bij de politie afgelegd over hoe hij aan het geld is gekomen, zoals onder meer uit schenkingen van zijn vader en de erfenis van zijn overleden moeder. De vader van klager is ook verhoord. Hij heeft bevestigd dat hij zijn zoon eens in de zoveel tijd geld geeft. Gelet hierop kan niet worden gesproken van witwassen en is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de boot zal bevelen.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. In aanvulling hierop is aangevoerd dat klager wordt verdacht van witwassen en dat er inmiddels zowel klassiek beslag als conservatoir beslag op de boot rust. Klager heeft, ondanks dat hij meermaals is gehoord, nog geen aannemelijke verklaring afgelegd over met welk geld hij de boot heeft kunnen aanschaffen. Evenmin blijkt de Informatiebox Criminele en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) dat klager de boot op een legale wijze heeft kunnen betalen. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift ongegrond te verklaren.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag. Zij overweegt daartoe dat klager wordt verdacht van witwassen. Op 30 oktober 2023 is, naar aanleiding van een tweetal TCI-meldingen, onder klager een motorboot in beslag genomen. Uit het proces-verbaal van aanvraag machtiging conservatoir beslag van 7 februari 2024 blijkt dat uit het financieel onderzoek, ondanks de verklaringen van klager, niet blijkt van een inkomen dat de aanschaf van een dergelijk vaartuig verklaarbaar maakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het – gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en mede gelet op het karakter van de raadkamerprocedure waarin aan de rechter slechts een marginale toetsing toekomt – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de motorboot zal bevelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Klager wordt namelijk verdacht van witwassen. De rechtbank is van oordeel dat het – gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en mede gelet op de machtiging van de rechter-commissaris van 16 februari 2024 waarbij een machtiging tot conservatoir beslag ter hoogte van € 120.250,00 is afgegeven – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van het in beslag genomen voorwerp zal opleggen, dan wel aan verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond te worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 14 mei 2024 gegeven door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).