Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-15
ECLI:NL:RBZWB:2024:3963
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10443812 \ MB VERZ 23-484
CJIB-nummer: 1062 5422 4863 8033
uitspraakdatum: 15 mei 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
[adres]
[plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. R.A.H. van Huijgevoort
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 mei 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven op de Bijsterveldenlaan te Tilburg op 10 april 2022 om 04.12 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is opgelegd. Betrokkene stelt dat hij direct na vordering van het rijbewijs zijn legitimatiebewijs ter inzage heeft verstrekt en zijn rijbewijs aan het zoeken was. Voordat hij dat gevonden had kreeg hij al een boete. Subsidiair wordt aangevoerd dat het sanctiebedrag te hoog is mede vanwege de genoemde omstandigheden.
Ter zitting heeft betrokkene daaraan toegevoegd dat in zijn ogen sprake was van ‘treiteren’ door de verbalisanten, waardoor hij nu drie boetes heeft.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er was sprake van een algemene controle in het kader van de wegenverkeerswet en dan geldt de verplichting om het rijbewijs te tonen. Betrokkene heeft aangevoerd het rijbewijs niet direct te hebben kunnen vinden, maar de verbalisanten geven aan dat betrokkene ook recalcitrant gedrag vertoonde. De gedraging is verricht en de boete is terecht opgelegd.
De zittingsvertegenwoordiger ziet wel aanleiding de sanctie te matigen met 25% nu de redelijke termijn is overschreden waarbinnen een beslissing zou moeten worden genomen. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent de gedraging niet, maar voert aan het rijbewijs later wel aan de verbalisanten te hebben willen tonen. Hierdoor is er echter geen sprake van op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 10 april 2022 en is de redelijke termijn dus met één maand overschreden.
Matiging van de boete
Omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn én gelet op het aantal opgelegde boetes binnen een half uur voor verschillende gedragingen, zal de kantonrechter de boete matigen. De boete zal worden gematigd met 50%.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 50,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 50,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: