Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:3923
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,129 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende,
en
De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
1Inleiding
1.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 21 november 2022 een nieuwe aangifte ingediend. De inspecteur heeft de aangifte aangemerkt als een beroepschrift omdat met dagtekening 4 november 2022 reeds uitspraak op bezwaar is gedaan. De inspecteur heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2020 met [aanslagnummer] .H.06
1.1.
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 november 2022.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
2.2.
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft belanghebbende de gronden tijdig vermeld?
2.3.
Belanghebbende heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid willen stellen om dit verzuim te herstellen. Omdat belanghebbende niet staat ingeschreven in Nederland en ook geen adres heeft doorgegeven is er op 28 maart 2023 een oproep gedaan in de Staatcourant (nr. 9784) en is belanghebbende verzocht om binnen zes weken, na de datum van de publicatie in de Staatscourant, zich te melden en een correspondentieadres door te geven. Daarbij is gewaarschuwd dat bij het uitblijven van een reactie het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Belanghebbende heeft binnen die termijn niet gereageerd. Belanghebbende heeft dus geen juiste adresgegevens doorgegeven en ook geen beroepsgronden.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
2. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 12 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.