Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:383
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,348 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/83
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Woensdrecht), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 november 2022.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 januari 2024 op zitting behandeld. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar waren [naam] en [taxateur 1] aanwezig.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een twee-onder-een-kapwoning met een woonoppervlakte van 98 m², met een aanbouw van 15 m², een garage van 20 m², een atelier van 38 m², twee dakkapellen, een overkapping van 21 m² en een perceeloppervlakte van 309 m².
Beoordeling
3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
4. De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
5. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
6. De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling een rapport ten grondslag gelegd dat door [taxateur 1] is opgemaakt. In het rapport is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een waarde van
€ 348.000. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [adres 1], [adres 2] en [adres 3], te [plaats] .
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het rapport aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar, gelet onder meer op de ligging, het bouwjaar en de inhoud. Belanghebbende heeft in beroep zijn stellingen dat onvoldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen en dat onvoldoende rekening is gehouden met de afnemende meeropbrengst in het geheel niet onderbouwd zodat de rechtbank aan deze stellingen voorbij gaat.
8. Ten aanzien van het betoog van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft toegekend overweegt de rechtbank dat dit betoog niet slaagt. Er is namelijk niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid).
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van I. Zouhaïr, griffier, op 11 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.