Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:3744
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,520 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3201 tot en met 23/3206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 op de verzetten van
[belanghebbende] VOF, uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2024 in de gedingen tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op de verzetten van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft de verzetten op 21 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak 12 januari 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzetten ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepen van belanghebbende
4. De beroepen van belanghebbende gingen over diverse kennisgevingen ambtshalve teruggaven van 16 maart 2021. In die kennisgevingen heeft de inspecteur naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar van 3 maart 2021 belanghebbende bericht over de uitbetaling van ambtshalve teruggaven BPM.
De uitspraak van 12 januari 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Het Unierecht staat daaraan niet in de weg. Hetgeen belanghebbende in zijn pleitnota aanvoert omtrent de toetsing van het Unierecht door de Hoge Raad leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat de kennisgevingen geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen zijn.
7. De rechtbank acht dat juist. De inspecteur heeft met de kennisgevingen aan belanghebbende laten weten welke bedragen aan ambtshalve teruggaven BPM aan belanghebbende zouden worden uitbetaald als gevolg van de uitspraken op bezwaar van 3 maart 2021. Dergelijke kennisgevingen zijn geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen. Anders dan belanghebbende stelt, staat het Unierecht niet aan dit oordeel in de weg.
Conclusie
8. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 januari 2024. De verzetten zijn ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriëleschadevergoeding
10. Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechtbank kan een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege blijven omdat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat tegen een mededeling teruggaaf BPM geen bezwaar kan worden gemaakt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de verzetten ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 4 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966.
Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660.