Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:3653
Internationaal publiekrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,496 tokens
Inleiding
proces-verbaal
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/415417 / HA ZA 23-571
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 28 mei 2024
in de zaak van
[eiseres in conventie] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S.B.A. Lhachmi te [plaats 2] ,
tegen
[gedaagde in conventie] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. R.A.A. Maat te Goes.
Partijen worden hierna [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ingevolge het vonnis van deze rechtbank van 10 januari 2024.
Tegenwoordig zijn mr. De Graaf, rechter, en mr. IJkel, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
[eiseres in conventie] , bijgestaan door mr. Lhachmi
[gedaagde in conventie] , bijgestaan door mr. Maat.
De rechter gaat over tot de mondelinge behandeling en stelt vast dat het procesdossier bestaat uit de vonnissen van 10 januari 2024 en 6 maart 2024, de daarin genoemde stukken en de conclusie van antwoord in reconventie.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij mr. Lhachmi gebruik heeft gemaakt van door hem overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen. Nadat partijen over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de rechter hebben beantwoord, heeft de rechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de rechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de behandeling van de zaak gesloten en mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
in conventie
In conventie twisten partijen over de vraag of [eiseres in conventie] op 11 januari 2021 een bedrag van € 105.000,00 aan [gedaagde in conventie] heeft verstrekt, op grond van een overeenkomst van geldlening voor een periode van zes maanden. [eiseres in conventie] vordert veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van dit bedrag vermeerderd met rente en kosten.
[eiseres in conventie] heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat zij voornoemd bedrag aan [gedaagde in conventie] heeft geleend, verwezen naar het door haar als productie 4 overgelegde stuk met de volgende tekst: “Ondergetekende mw. [eiseres in conventie] , [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] , schuldeiser, verklaart hierbij ter leen te hebben verstrekt aan dhr. [gedaagde in conventie] , schuldenaar [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] het bedrag van € 105.000 (eenhonderdvijfduizend euro) voor de periode van zes maanden.
Als onderpand dient het gebouw [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] .
11 januari ‘21
Mw. [eiseres in conventie] dhr. [gedaagde in conventie]”
Hieronder zijn handtekeningen geplaatst en hierbij gevoegd zijn een kopie van een akte van levering en een kopie van het paspoort van [gedaagde in conventie] .
Voorts verwijst [eiseres in conventie] naar de door haar in de periode van 1 juni 2019 t/m 10 mei 2023 met [gedaagde in conventie] uitgewisselde vele Whatsapp berichten (productie 5) en naar het proces-verbaal van aangifte betreffende het incident dat volgens haar op 31 maart 2023 heeft plaatsgevonden en waarbij [gedaagde in conventie] haar zou hebben mishandeld en het originele document betreffende de geldlening van haar heeft afgepakt (productie 6). Tenslotte verwijst [eiseres in conventie] naar de reactie van [gedaagde in conventie] d.d. 30 mei 2023 op de brief van haar advocaat, waarin de geldlening niet wordt betwist, maar slechts wordt gevraagd om bewijs daarvan (productie 10).
[gedaagde in conventie] heeft betwist geld van [eiseres in conventie] te hebben ontvangen en stelt daartoe dat het door [eiseres in conventie] overgelegde stuk vals is en dat de handtekening op dat stuk onder zijn naam niet zijn handtekening is. [eiseres in conventie] heeft volgens hem ook wisselend verklaard over de herkomst van het geld dat zij zou hebben uitgeleend. De kopie van de akte van levering en het paspoort moet [eiseres in conventie] volgens [gedaagde in conventie] hebben gestolen en de Whatsapp conversatie geeft weer dat er sprake was van stalking van [gedaagde in conventie] door [eiseres in conventie] . [eiseres in conventie] en hij hadden een (buitenechtelijke) relatie gehad en zij kon het einde daarvan niet accepteren. [eiseres in conventie] chanteerde [gedaagde in conventie] daarmee omdat ze geld nodig had voor de aankoop van grond. Het feit dat hij niet inhoudelijk op de Whatsapp berichten heeft gereageerd, komt voort uit vermijdingsgedrag ten gevolge van traumatische ervaringen. Voorts wijst hij erop dat uit de aangifte over 2021 niet blijkt van de geldlening. Hij betwist dat er op 31 maart 2023 sprake was van mishandeling van [eiseres in conventie] door hem of het afpakken van een document. [gedaagde in conventie] betwist verder dat hij het Whatsapp bericht van 27 juli 2022 zou hebben ontvangen, waarbij als bijlage een kopie van de geldleningsovereenkomst zou zijn gevoegd.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie] de gemotiveerde stelling van [eiseres in conventie] betreffende de geldlening voldoende gemotiveerd heeft weersproken.
Het door [eiseres in conventie] als productie 4 overgelegde briefje voldoet niet aan de eisen van artikel 158 lid 1 Rv en de ondertekening daarvan wordt door [gedaagde in conventie] gemotiveerd betwist. Ook de andere stukken waar [eiseres in conventie] zich op beroept leveren, gelet op het verweer van [gedaagde in conventie] , nog geen volledig bewijs van haar stellingen op.
Het is dan ook aan [eiseres in conventie] om (nader) bewijs te leveren van haar stelling dat zij een bedrag van € 105.000,00 ter leen aan [gedaagde in conventie] heeft verstrekt. De rechtbank zal haar opdragen dit bewijs te leveren.
in reconventie
[eiser in reconventie] vordert in reconventie betaling door [verweerster in reconventie] van de facturen d.d. 12 oktober 2021 en 1 maart 2023 ter hoogte van respectievelijk € 7.764,87 en € 449,21. Deze facturen en een specificatie van de daarop vermelde uren zijn door hem overgelegd als producties 17, 18 en 20. [eiser in reconventie] stelt veel werk voor [verweerster in reconventie] te hebben verricht en biedt aan dat te bewijzen. Gebleken is bovendien dat [verweerster in reconventie] hem heeft opgedragen onwaarheden te verkondigen aan de Belastingdienst en dus niet schroomt om fraude te plegen. Dat zegt iets over haar betrouwbaarheid.
[verweerster in reconventie] heeft ten aanzien van de factuur van 12 oktober 2021 betwist deze eerder ontvangen te hebben en betwist voorts dat de werkzaamheden waarop die factuur betrekking heeft in de gestelde omvang verricht zijn. Betreffende de factuur van 1 maart 2023, die betrekking heeft op de aangifte Inkomstenbelasting 2021, heeft zij erkend dat [eiser in reconventie] werkzaamheden heeft verricht, maar stelt zij dat de daarvoor in rekening gebrachte kosten buitenproportioneel zijn gelet op het eenvoudige karakter van de aangifte.
De rechtbank overweegt dat het gelet op de gemotiveerde betwisting door [verweerster in reconventie] aan [eiser in reconventie] is bewijs te leveren van de (omvang van de) door hem verrichte werkzaamheden waarop de facturen waarvan hij betaling vordert betrekking hebben. De rechtbank zal hem opdragen dit bewijs te leveren.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dictum
De rechtbank:
in conventie
draagt [eiseres in conventie] op te bewijzen dat zij op 11 januari 2021 een bedrag van € 105.000,00 in contanten aan [gedaagde in conventie] ter leen heeft verstrekt,
in reconventie
draagt [eiser in reconventie] op bewijs te leveren van de (omvang van de) door hem verrichte werkzaamheden waarvan hij bij facturen d.d. 12 oktober 2021 en 1 maart 2023 betaling verzoekt,
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 juni 2024 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als partijen geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct dan wel op een nader te bepalen moment in het geding kunnen brengen,
bepaalt dat, als partijen getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden september 2024 tot en met december 2024 dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor dan zal plaatsvinden op de zitting van mr. De Graaf, in het gerechtsgebouw te Middelburg, Kousteensedijk 2,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gegeven ter zitting op 28 mei 2024 door mr. De Graaf, in tegenwoordigheid van de griffier.
Waarvan proces-verbaal,