Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:3463
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,211 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10012 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
dr. [eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (het college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 17 augustus 2023 over het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen het voorgenomen besluit van de gemeenteraad om een AZC te realiseren aan de [locatie] in [plaats] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. De beoordeling van de verontschuldigbaarheid vergt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. De rechtbank verwijst naar de recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechters.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat het college het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 17 augustus 2023 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 28 september 2023.
4.1.
Eiser heeft op 30 september 2023 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiser stelt dat hij voor en ten tijde van het verstrijken van de indieningstermijn voor het beroep ziek was. De ziekte was volgens eiser dusdanig dat hij niet in staat was het beroep op tijd in te dienen.
De rechtbank is van oordeel dat dit geen verontschuldiging is voor het verzuim. Eiser had immers in ieder geval tijdig beroep kunnen instellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. Niet gebleken is dat eiser gedurende de hele termijn wegens ziekte niet in staat is geweest om een beroepschrift in te dienen. De overschrijding van de beroepstermijn is daarom niet verontschuldigbaar.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 28 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.