Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:346
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,930 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/417638 / JE RK 24-4
Datum uitspraak: 11 januari 2024
Nadere beschikking (spoed)uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. van de Voorde te Middelburg.
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
Het nadere verloop van de procedure blijkt uit de (spoed)beschikking van de
kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 januari 2024, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op
11 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. E. Sijnesael, kantoorgenoot van zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.
Daar heeft [minderjarige] geen gebruik van gemaakt.
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de vader en de moeder.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 9 maart 2022 en tot 9 maart 2023. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 28 februari 2023 verlengd tot 9 maart 2024.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 9 maart 2023. De machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van
28 februari 2023 verlengd tot 9 maart 2024.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Het overige deel is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 10 november 2023.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023 is de beschikking van 2 november 2023 herroepen met ingang van 10 november 2023. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 november 2023 en tot 24 november 2023. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.7.
Bij beschikking van 2 januari 2024 heeft de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 2 januari 2024 en tot 16 januari 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.8.
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] op [de crisisgroep] van [jeugdzorgspecialist] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, met spoed een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024.
3.2.
Thans ligt ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden
die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedmachtiging met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van 16 januari 2024 en tot 30 januari 2023. Daarnaast ligt voor het verzoek tot het aansluitend verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] verblijft nu op [de crisisgroep]
van [jeugdzorgspecialist] en gaat vanuit daar naar school. Na een wat moeizame start op de crisisgroep is er inmiddels wat rust bij [minderjarige] ontstaan. Wel bestaat er nog veel onduidelijkheid over het te volgen traject en het verdere perspectief van [minderjarige] . Daar wordt morgen tijdens de evaluatie met [de crisisgroep] verder over gesproken. De GI hoopt dat [minderjarige] twee weken langer op de crisisgroep kan blijven. Voor de periode daarna is er nog veel onzeker. Eerder werd de [behandelgroep] het meest passend geacht voor [minderjarige] . De aanmelding voor deze behandelgroep lijkt echter spaak te lopen door de ontbrekende toestemming van de moeder. Daarbij komt dat er waarschijnlijk pas vanaf mei 2024 plek is bij de [behandelgroep]. Er is ook een aanmelding gedaan voor een behandelgroep van [jeugdzorgspecialist] , maar het is nog onduidelijk of daar wel op korte termijn plek is. Tot slot benoemt de GI dat er wellicht een vertrouwenspersoon vanuit OpenDoor kan worden aangesteld voor [minderjarige] .
4.2.
De vader stemt in met het voorliggende verzoek. [minderjarige] heeft veel moeite met het
accepteren van gezag, waardoor er in de thuissituatie dagelijks sprake was van een enorme strijd en de kans dat [minderjarige] zou weglopen continu aanwezig was. De thuissituatie is als gevolg daarvan onhoudbaar geworden. De vader wil het liefst dat [minderjarige] in de buurt kan verblijven, maar geeft aan dat een goede behandeling prioriteit heeft. Hij vindt het wel belangrijk dat [minderjarige] niet telkens wordt overgeplaatst. [minderjarige] is zelf erg wisselend over wat zij wil. Dat vindt de vader begrijpelijk, omdat [minderjarige] moeite heeft met het verwerken van zaken. De vader benoemt verder dat hij af en toe contact heeft met de moeder. Dat verloopt zeer moeizaam en de moeder is vaak onbereikbaar. Volgens de vader vindt de moeder de behandeling van [minderjarige] bij de [behandelgroep] niet nodig. Om die reden weigert zij daar toestemming voor te geven. De advocaat vult aan dat er thans nog onduidelijkheid bestaat over de noodzaak van de toestemming van de moeder voor de aanmelding van [minderjarige] bij de [behandelgroep]. Er is immers een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. Mocht dat niet voldoende zijn, kan er op korte termijn een verzoek voor vervangende toestemming worden ingediend. De advocaat merkt tot slot op dat een plaatsing op een behandelgroep van [jeugdzorgspecialist] een wachttijd van zes tot acht maanden kent.
5De verdere beoordeling
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Bij beschikking van 2 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 januari 2024 en tot 16 januari 2024, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 11 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om hun standpunt naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan is de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. De spoedbeschikking van 2 januari 2024 wordt daarom niet herroepen.
5.2.
Nu de kinderrechter zal beslissen op het verzoek tot het verlenen van een
aansluitende machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing afwijzen.
Aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling
is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom verlenen, met ingang van 16 januari 2024 en tot het einde van de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 16 januari 2024 en tot 9 maart 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2024 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 24 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/417638 / JE RK 24-4
Datum uitspraak: 11 januari 2024
Nadere beschikking (spoed)uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. van de Voorde te Middelburg.
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
Het nadere verloop van de procedure blijkt uit de (spoed)beschikking van de
kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 januari 2024, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op
11 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. E. Sijnesael, kantoorgenoot van zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.
Daar heeft [minderjarige] geen gebruik van gemaakt.
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de vader en de moeder.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 9 maart 2022 en tot 9 maart 2023. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 28 februari 2023 verlengd tot 9 maart 2024.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 9 maart 2023. De machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van
28 februari 2023 verlengd tot 9 maart 2024.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Het overige deel is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 10 november 2023.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023 is de beschikking van 2 november 2023 herroepen met ingang van 10 november 2023. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 november 2023 en tot 24 november 2023. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.7.
Bij beschikking van 2 januari 2024 heeft de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 2 januari 2024 en tot 16 januari 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.8.
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] op [de crisisgroep] van [jeugdzorgspecialist] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, met spoed een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024.
3.2.
Thans ligt ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden
die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedmachtiging met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van 16 januari 2024 en tot 30 januari 2023. Daarnaast ligt voor het verzoek tot het aansluitend verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] verblijft nu op [de crisisgroep]
van [jeugdzorgspecialist] en gaat vanuit daar naar school. Na een wat moeizame start op de crisisgroep is er inmiddels wat rust bij [minderjarige] ontstaan. Wel bestaat er nog veel onduidelijkheid over het te volgen traject en het verdere perspectief van [minderjarige] . Daar wordt morgen tijdens de evaluatie met [de crisisgroep] verder over gesproken. De GI hoopt dat [minderjarige] twee weken langer op de crisisgroep kan blijven. Voor de periode daarna is er nog veel onzeker. Eerder werd de [behandelgroep] het meest passend geacht voor [minderjarige] . De aanmelding voor deze behandelgroep lijkt echter spaak te lopen door de ontbrekende toestemming van de moeder. Daarbij komt dat er waarschijnlijk pas vanaf mei 2024 plek is bij de [behandelgroep]. Er is ook een aanmelding gedaan voor een behandelgroep van [jeugdzorgspecialist] , maar het is nog onduidelijk of daar wel op korte termijn plek is. Tot slot benoemt de GI dat er wellicht een vertrouwenspersoon vanuit OpenDoor kan worden aangesteld voor [minderjarige] .
4.2.
De vader stemt in met het voorliggende verzoek. [minderjarige] heeft veel moeite met het
accepteren van gezag, waardoor er in de thuissituatie dagelijks sprake was van een enorme strijd en de kans dat [minderjarige] zou weglopen continu aanwezig was. De thuissituatie is als gevolg daarvan onhoudbaar geworden. De vader wil het liefst dat [minderjarige] in de buurt kan verblijven, maar geeft aan dat een goede behandeling prioriteit heeft. Hij vindt het wel belangrijk dat [minderjarige] niet telkens wordt overgeplaatst. [minderjarige] is zelf erg wisselend over wat zij wil. Dat vindt de vader begrijpelijk, omdat [minderjarige] moeite heeft met het verwerken van zaken. De vader benoemt verder dat hij af en toe contact heeft met de moeder. Dat verloopt zeer moeizaam en de moeder is vaak onbereikbaar. Volgens de vader vindt de moeder de behandeling van [minderjarige] bij de [behandelgroep] niet nodig. Om die reden weigert zij daar toestemming voor te geven. De advocaat vult aan dat er thans nog onduidelijkheid bestaat over de noodzaak van de toestemming van de moeder voor de aanmelding van [minderjarige] bij de [behandelgroep]. Er is immers een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. Mocht dat niet voldoende zijn, kan er op korte termijn een verzoek voor vervangende toestemming worden ingediend. De advocaat merkt tot slot op dat een plaatsing op een behandelgroep van [jeugdzorgspecialist] een wachttijd van zes tot acht maanden kent.
5De verdere beoordeling
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Bij beschikking van 2 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 januari 2024 en tot 16 januari 2024, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 11 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om hun standpunt naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan is de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. De spoedbeschikking van 2 januari 2024 wordt daarom niet herroepen.
5.2.
Nu de kinderrechter zal beslissen op het verzoek tot het verlenen van een
aansluitende machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing afwijzen.
Aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling
is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom verlenen, met ingang van 16 januari 2024 en tot het einde van de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 maart 2024. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 16 januari 2024 en tot 9 maart 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2024 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 24 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.