Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-03
ECLI:NL:RBZWB:2024:3306
Civiel recht
Bodemzaak
1,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10749545 CV EXPL 23-3429
Vonnis van 3 april 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
mr. M. Leung heeft zich bij brief van 23 februari 2024 onttrokken als gemachtigde,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. het tussenvonnis van 29 november 2023;
b. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 4 maart 2024.
1.2
[eiser] is niet op de mondelinge behandeling van 4 maart 2024 verschenen. [gedaagde] is wel verschenen.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De vordering van [eiser] en het verweer van [gedaagde]
2.1
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan
[eiser] te betalen een bedrag van € 1.895,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van de volledige betaling. Verder vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis.
2.2
[eiser] stelt in de dagvaarding dat zij met [gedaagde] een bewaarnemingsovereenkomst heeft gesloten. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht om een bedrag van € 5.000,00 voor haar in bewaring te nemen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] nagelaten om aan haar een bedrag van
€ 1.580,00 terug te betalen.
2.3
[gedaagde] betwist dat hij met [eiser] een overeenkomst tot bewaring heeft gesloten. [gedaagde] kan niet het door [eiser] genoemde bedrag van € 5.000,00 hebben ontvangen. Het rekeningnummer waarop [eiser] een bedrag van € 5.000,00 heeft overgemaakt staat namelijk op naam van een ander, [naam] . Uit de overgelegde producties blijkt ook dat de gemachtigde van [eiser] [naam] hierover heeft aangeschreven.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] haar stelling dat zij met [gedaagde] een bewaarnemingsovereenkomst heeft gesloten, gelet op de betwisting door [gedaagde] , niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de overgelegde producties kan niet de conclusie worden getrokken dat [eiser] met [gedaagde] een bewaarnemingsovereenkomst heeft gesloten. De
naam [gedaagde] komt in de stukken namelijk geen enkele keer voor. Kennelijk heeft [eiser] op 9 juli 2022 een bedrag van € 5.000,00 overgemaakt aan ‘ [naam] ’ en heeft haar voormalige gemachtigde [naam] bij brieven van 16 september 2022, 5 oktober 2022 en
14 oktober 2022 gesommeerd tot betaling van het (restant)bedrag. Omdat de gestelde bewaarnemingsovereenkomst met [gedaagde] de enige grondslag van de vordering is en van een andere rechtsgrond niet is gebleken, zal de vordering worden afgewezen.
3.2
Omdat de vordering van [eiser] wordt afgewezen zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Op 4 maart 2024 is [gedaagde] naar de rechtbank gekomen om verweer te voeren. Op 6 februari 2023 heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) aanbevolen dat indien een gedaagde die in persoon procedeert op een zitting verschijnt een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten wordt toegekend. De kantonrechter volgt deze aanbeveling en zal [eiser] veroordelen tot het betalen van € 50,00 aan proceskosten van [gedaagde] .
Dictum
De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af;
4.2
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 50,00 aan noodzakelijke reis-, verblijf-en verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.