Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-16
ECLI:NL:RBZWB:2024:3294
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
3,681 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 10958480 \ AZ VERZ 24-12
Beschikking van 16 mei 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. C.A.F. Haans,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. IJzelenberg.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ontvangen op 26 februari 2024;
- het verweerschrift;
- de brief van 15 april 2024 van de gemachtigde van [verzoeker] met overlegging van de producties 7 en 8.
1.2.
Op 18 april 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. C.A.F. Haans heeft op de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen verder is besproken. Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter uitspraak bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2001, is per 11 augustus 2022 voor bepaalde tijd tot 11 juli 2023 in dienst getreden van [verweerder] in de functie van afwasser. De arbeidsovereenkomst betreft een oproep dienstverband (0-uren) met een uurloon van € 12,12 bruto exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Horeca- en Aanverwante bedrijven van toepassing.
2.2.
[verweerder] is een horecabedrijf met onder meer een restaurant, een bierbrouwerij en een winkel. Daarnaast verhuurt [verweerder] hotelkamers en faciliteert zij zaalverhuur voor (het organiseren van) feesten.
2.3.
Per 11 juli 2023 is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend verlengd voor dezelfde duur en op dezelfde voorwaarden.
Geschil
3.1.
[verzoeker] heeft zijn verzoek op de mondelinge behandeling gewijzigd en verzoekt thans bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
bij voorlopige voorziening
a. voor de duur van het geding [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] het
salaris van € 1.687,10 bruto, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 26 december 2023 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
in de hoofdzaak
het ontslag op staande voet te vernietigen;
[verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] het salaris van € 1.687,10 bruto, te
vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 26 december 2023 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
en voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet
d. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van € 841,68 bruto wegens transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt – samengevat – het volgende ten grondslag aan zijn verzoeken. [verzoeker] meldde zich op 26 december 2023 rond 19.00 uur tijdens het werk ziek met keelpijn en wilde naar huis gaan. [verweerder] accepteerde de ziekmelding niet en heeft [verzoeker] meermalen gezegd zijn werkplek niet te verlaten en dat, als hij dat wel zou doen, dat ontslag op staande voet zou betekenen. [verzoeker] is naar huis gegaan. [verzoeker] stelt dat voor het ontslag geen dringende reden was en dat de reden niet onverwijld aan hem is medegedeeld. [verzoeker] verzoekt dan ook het ontslag op staande voet te vernietigen en het loon door te betalen.
3.3.
[verweerder] voert – samengevat – het volgende verweer. [verzoeker] is in zijn verzoek niet-ontvankelijk, omdat het verzoek te laat is ingediend. Als [verzoeker] wel op tijd was met zijn verzoek, stelt [verweerder] in de eerste plaats dat de opzegging met instemming was van beide partijen conform artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In het geval de kantonrechter van oordeel is dat [verzoeker] niet heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is sprake van een ontslag op staande voet vanwege een dringende reden. [verzoeker] is 26 december 2023 om 12.00 uur aan zijn dienst begonnen. [verzoeker] heeft zich rond 19.00 uur ten onrechte ziek gemeld, vlak nadat hij zijn kerstgratificatie had ontvangen, waarom hij die dag al meermalen had gevraagd. Hij heeft daarmee bewust geweigerd redelijke opdrachten uit te voeren. Het was [verzoeker] voldoende duidelijk wat de reden van het ontslag was. Dit is [verzoeker] twee keer uitgelegd en hem is die avond diverse keren gevraagd of hij er zeker van was dat hij toch weg wilde gaan. Desondanks is hij vertrokken. [verzoeker] was op 26 december 2023 niet ziek. Dat blijkt ook uit de overgelegde verklaringen. Nadat [verzoeker] was vertrokken is hij direct naar [restaurant] gegaan om daar te werken dan wel te solliciteren. [verweerder] heeft vernomen dat [verzoeker] in de veronderstelling was dat hij bij [restaurant] meer uren kon werken tegen een hoger uurloon. Hieruit volgt dat [verzoeker] al een nieuwe werkgever had en wordt bevestigd dat [verzoeker] zich onterecht ziek had gemeld. De verzoeken van [verzoeker] dienen dan ook te worden afgewezen.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat het verzoekschrift door middel van beveiligd mailen is gemaild op 26 februari 2024 om 17.34 uur. Op dat moment is het verzoekschrift eveneens ontvangen op de server van de Rechtspraak. De griffie was toen gesloten. De e-mail is op 27 februari 2024 om 9.25 uur door de griffie geopend. Wegens een technisch aspect wordt de ontvangst van het verzoekschrift op het moment van openen geregistreerd en werd daardoor pas op 27 februari 2024 bevestigd. Aangezien het verzoekschrift op de server van de Rechtspraak op 26 februari 2024 is ontvangen, is het verzoekschrift echter tijdig ingediend en is [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek.
Geen beëindiging met wederzijdse instemming
4.2.
De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst met instemming van beide partijen is beëindigd. Aan het schriftelijkheidsvereiste conform artikel 7:671, lid 1 aanhef, BW is niet voldaan. Een beroep daarop is – anders dan [verweerder] stelt – niet in strijd met goed werknemerschap en/of de redelijkheid en de billijkheid. Het schriftelijkheidsvereiste is van dwingend recht en dient ter bescherming van de werknemer. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden zou een werknemer hierop mogelijk geen beroep kunnen doen. Van zodanige feiten en omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Ook van een expliciete instemming aan de zijde van [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen is niet gebleken.
Ontslag op staande voet
4.3.
[verweerder] heeft [verzoeker] op 26 december 2023 medegedeeld dat als [verzoeker] zijn werkplek zou verlaten hij helemaal niet meer terug hoefde te komen. Daarmee heeft [verweerder] , gelet op alle omstandigheden, aan [verzoeker] ontslag op staande voet verleend. [verzoeker] heeft dat die avond ook zo begrepen. De kantonrechter zal hierna nagaan of dit ontslag stand kan houden.
4.4.
Een ontslag op staande voet is alleen rechtsgeldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
Onverwijld medegedeeld
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de reden van het ontslag op staande voet door [verweerder] onverwijld aan [verzoeker] is medegedeeld. [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift zelf dat de kok, zijn leidinggevende, hem die avond duidelijk heeft gezegd, dat hij zijn werkplek niet mocht verlaten en dat, als hij dat wel zou doen, dat ontslag op staande voet zou betekenen. De manager van [verweerder] , mevrouw [naam 1] heeft schriftelijk verklaard, dat zij nog achter [verzoeker] is aangelopen toen hij vertrok en hem heeft gevraagd wat er aan de hand was en of hij begrepen had wat de kok tegen hem had gezegd. Hij had daarop gezegd dat hij keelpijn had en dus wegging. Hij zei dat het hem niet uitmaakte en dat hij toch wegging. Daarop is hij weggegaan. [verzoeker] wist dus dat de reden voor het ontslag was dat niet werd geloofd dat hij door ziekte niet kon werken en dat zijn vertrek als ongeoorloofd verzuim werd aangemerkt met ontslag als gevolg.
Dringende reden
4.6.
[verweerder] heeft aangevoerd dat de dringende reden voor ontslag was gelegen in de ongeloofwaardige ziekmelding, waarmee hij zijn collega’s op het drukste moment op een van de drukste avonden van het jaar in de steek liet. Ondanks verzoeken van de kok en de manager weigerde [verzoeker] zijn dienst die avond af te maken, omdat hij keelpijn had en naar huis wilde en is hij vertrokken. [verweerder] is het vertrouwen in [verzoeker] kwijt, omdat hij niet eerlijk was. Hij was niet ziek, wat ook blijkt uit het feit dat hij niet naar huis is gegaan, maar naar een ander restaurant om daar te gaan werken.
4.7.
De kantonrechter oordeelt dat dit een voldoende dringende reden was voor ontslag op staande voet. Zij baseert zich daarbij op de hierna aangehaalde feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de stellingen van [verzoeker] en [verweerder] in hun schriftelijke stukken en op de mondelinge behandeling en de door [verweerder] overgelegde verklaringen van de kok (de leidinggevende van [verzoeker] ), een collega van [verzoeker] die die avond ook aan het werk was, de manager van [verweerder] en de eigenaresse van [restaurant] .
4.8.
Het ging om de avond van tweede kerstdag, voor [verweerder] een van de drukste avonden van het jaar. [verzoeker] had die avond meermalen gevraagd wanneer de kerstgratificatie (een envelopje met € 50,00) zou worden uitgedeeld. Kort nadat hij zijn kerstgratificatie had ontvangen, zei hij dat hij keelpijn had en zich ziek voelde. Tot dat moment had hij geen medische klachten geuit en hadden zijn collega’s ook niet gemerkt dat hij zich niet goed voelde. De kantonrechter overweegt dat keelpijn op zich niet hoeft te betekenen dat iemand niet in staat is arbeid te verrichten. Van [verzoeker] had mogen worden verwacht dat hij, gegeven het belang van zijn werkgever bij een afwashulp die avond, zijn dienst af zou maken. Dus ook als er van wordt uitgegaan dat [verzoeker] keelpijn had, was dat nog onvoldoende reden om het werk neer te leggen en weg te gaan.
Daarbij komt dat uit de verklaring van [naam 2] , eigenaresse van [restaurant] , blijkt dat [verzoeker] niet naar huis is gegaan na zijn vertrek bij [verweerder] . Hij is naar [restaurant] gegaan om daar te solliciteren. Hij had gehoord dat hij daar meer uren kon krijgen en meer zou verdienen.
4.9.
Op de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij die avond buikkramp en borstpijn had. Toen de kantonrechter hem zei dat zij uit de overgelegde verklaringen niet had opgemaakt dat [verzoeker] op 26 december 2023 had geklaagd over buikkramp en borstpijn, maar over keelpijn, zei [verzoeker] dat hij daarnaast ook keelpijn had. Hij verklaart dus niet eenduidig over welke gezondheidsklachten hem die avond zouden hebben belet te werken. Daarbij komt dat geen van de collega’s die avond bij [verzoeker] had gemerkt dat hij zijn werk niet goed kon doen, omdat hij zich ziek voelde.
4.10.
Vervolgens is hij na zijn ziekmelding niet naar huis gegaan, zoals hij tegen de kok en de manager had gezegd, maar naar [restaurant] om te solliciteren. Op de zitting heeft [verzoeker] in eerste instantie hierover verklaard dat [restaurant] naast [verweerder] ligt en dat een kennis van hem, die bij [restaurant] werkt, buiten stond en zag dat hij [verweerder] in tranen verliet. Deze kennis vroeg [verzoeker] wat er aan de hand was. Volgens [verzoeker] heeft hij daarop besloten te solliciteren bij [restaurant] . Deze verklaring van [verzoeker] klopt niet, omdat [restaurant] niet naast [verweerder] ligt, maar ruim 200 meter verderop. Daarnaast komt het de kantonrechter onaannemelijk voor dat deze kennis, die volgens [verweerder] kokswerkzaamheden verricht, rond 19.00/19.30 uur op een van de drukste avonden van het jaar, buiten op straat staat. Dat het druk was die avond volgt uit de verklaring van [restaurant] , aangezien [verzoeker] verzocht werd op een andere dag terug te komen vanwege de drukte. Volgens de verklaring van de eigenaresse van [restaurant] is [verzoeker] vervolgens op 28 december 2023 weer langs geweest voor zijn sollicitatie, waar overeengekomen werd dat hij op 3 januari 2024 bij haar kon beginnen.
Dictum
De kantonrechter
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot vandaag vastgesteld op € 815,00, te vermeerderen met de nakosten, aan de zijde van [verweerder] tot deze beschikking begroot op € 135,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling de beschikking daarna betekend, dan moet [verzoeker] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024.