Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:2840
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,315 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/421021 / FA RK 24-1649
Datum uitspraak: 24 april 2024
Beschikking betreffende verhuizing
in de zaak van
[de man] (hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw),
verweerster,
advocaat: mr. J. van Vonderen-Jagersma te De Meern.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 april 2024 ingekomen verzoek van mr. Maat-Oldenhof met bijlagen;
- het op 20 april ingekomen verweerschrift van mr. Van Vonderen-Jagersma, met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 22 april 2024. Bij deze behandeling zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. De advocaat van de vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen.
Feiten
2.1
Partijen zijn op [datum] 2014 gehuwd.
2.2
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.
2.3
Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4
De minderjarige verblijft bij de man.
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de [minderjarige] haar hoofdverblijf in de gemeente Reimerswaal zal behouden, en de vrouw te verbieden om [minderjarige] in te schrijven in een andere gemeente en/of feitelijk in een andere gemeente te gaan wonen met medeneming van [minderjarige] .
3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, dan wel aan te houden met de opdracht aan partijen in onderling overleg te treden of, mocht de rechtbank toch besluiten tot het beperken van het verhuizen, dit enkel voor de duur van de echtscheidingsprocedure of een andersluidende beschikking toe te wijzen.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
Beoordeling
4.1
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat er zorgen zijn over de moeizame verstandhouding van partijen en het gebrek aan communicatie en samenwerking tussen hen. Partijen zijn op dit moment nog gehuwd, maar hebben zeer recent een einde aan hun relatie gemaakt. Het verdriet, de pijn en de frustraties die daarmee gepaard gaan zijn bij hen beiden sterk aanwezig en het lukt partijen op dit moment niet om met elkaar in overleg te treden en afspraken te maken over onder meer de verzorging en opvoeding van hun minderjarige dochter [minderjarige] . Over en weer zijn er ook grote zorgen.
Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw geen vertrouwen heeft in de man en dat de vrouw twijfelt over de opvoedvaardigheden van de man, onder meer vanwege het vele alcoholgebruik waar volgens de vrouw bij de man sprake van is. De vrouw maakt zich daarom veel zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man. De vrouw heeft ook aangegeven het moeilijk te vinden om (voor het eerst) gescheiden te worden van [minderjarige] , nu [minderjarige] deels bij haar en deels bij de man verblijft. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] het erg lastig in de huidige situatie en durft zij niet goed haar mening te geven. De vrouw wil graag dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt, er hulpverlening voor [minderjarige] en voor de ouders wordt ingezet en er rust voor [minderjarige] komt. Daarbij heeft de vrouw opgemerkt dat zij niet zonder toestemming van de man of vervangende toestemming van de rechtbank met [minderjarige] naar [plaats] zal verhuizen, maar eerst daarover het gesprek met de man wil aangaan met de advocaten en de hulpverlening. Tot halverwege juli 2024 kan de vrouw met [minderjarige] in de omgeving van [woonplaats] in de woning van een vriendin verblijven. De vrouw heeft voorts verteld over de ervaringen van vijf jaar geleden toen zij ook al wilde scheiden en dat de man en de vrouw toen toch verder met elkaar zijn gegaan nadat zij afspraken hadden gemaakt. De vrouw heeft gemerkt dat de man zich niet aan deze afspraken heeft gehouden.
De man heeft aangegeven dat hij een bericht van de vrouw ontving dat zij de relatie wilde beëindigen en twee weken later een bericht kreeg van de vrouw waarin stond dat zij een woning had gevonden in [plaats] . Dit alles is hem erg overvallen en daarbij komt dat de vrouw vijf jaar geleden ook zonder zijn toestemming met [minderjarige] is vertrokken naar [plaats] . De man vreest daarom dat de vrouw nu weer zomaar met [minderjarige] naar [plaats] zal verhuizen. Volgens de man stelt de vrouw de belangen van [minderjarige] , die is opgegroeid in [woonplaats] en daar haar school, sport en hobby’s en vrienden heeft, niet voorop. Hij vindt het ook zorgelijk dat de vrouw [minderjarige] steeds betrekt in volwassenzaken, waardoor [minderjarige] nu in een loyaliteitsconflict verkeert. De man wil bovendien heel graag betrokken blijven in het leven van [minderjarige] en haar het liefst in ieder geval voor de helft van de tijd blijven verzorgen en opvoeden. Een verhuizing naar [plaats] zal dat bemoeilijken. De man wil nu met de beide advocaten het overleg met de vrouw aangaan en samen tot goede afspraken (proberen te) komen. Daarbij heeft de man toegezegd dat hij zich zal gaan inzetten voor de benodigde hulpverlening voor de ouders en dat hij instemt met hulpverlening voor [minderjarige] . Partijen zijn inmiddels bij de maatschappelijk werker langs geweest, waar een voorlopige zorgregeling voor de komende weken is vastgesteld. De volgende afspraak met de maatschappelijk werker staat op 6 mei 2024 gepland. Tot slot merkt de man op dat hij zijn alcoholgebruik niet problematisch vindt (tot voor kort ongeveer een fles wijn per dag). Nu drinkt hij helemaal niet meer.
4.2
Uit het voorgaande blijkt dat partijen allebei het beste voor de [minderjarige] willen en bereid zijn om daarvoor met elkaar in overleg te treden, maar op dit moment (nog) niet voldoende in staat zijn om adequaat en in het belang van [minderjarige] met elkaar te overleggen, afspraken te maken en om de problemen tussen hen op te lossen. De advocaten zullen de komende tijd samen met hun cliënten proberen in overleg tot afspraken te komen. De rechtbank vindt het verder, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De Raad heeft daarbij nog opgemerkt dat het alcoholgebruik van de man zorgwekkend is en dat de man hiervoor hulpverlening zal moeten gaan inzetten. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 22 april 2024 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.3
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.4
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie) (er zijn zorgen over mogelijk fors alcoholgebruik door de man en er speelt de mogelijkheid dat de vrouw naar [plaats] gaat verhuizen).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.5
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk 7 november 2024 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.6
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
4.7
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Dictum
De rechtbank:
5.1
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op 7 november 2024 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.9 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
houdt aan de beslissing op het verzoek van de man met betrekking tot de bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] en het verhuisverbod in afwachting van het voornoemde traject.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024 in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.