Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:2766
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,027 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3146 OPIUMW
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Konuksever),
en
de burgemeester van de gemeente Oosterhout, de burgemeester.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (eigenaar).
Inleiding
1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 1 maart 2024 (bestreden besluit) inzake de sluiting van zijn berging behorende bij zijn woning aan de [adres] te [plaats] per 27 februari 2024 voor een periode van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure alleen is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de uitspraak in bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen.
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn spoedeisend belang is gelegen in het feit dat hij door de sluiting van de berging zijn (huur)woning dreigt te verliezen. De eigenaar heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat de burgemeester met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten alleen de berging te sluiten en niet de woning. Dit betekent dat het besluit van de burgemeester verzoeker niet direct belemmert zijn woning te bewonen.
5. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat de eigenaar van de woning de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal ontbinden. Daarbij maakt deze kennelijk gebruik van artikel 7:231, lid 2 van het burgerlijk wetboek. De eventuele gevolgen van deze ontbinding – waaronder het niet meer kunnen wonen in de woning – vloeien daarom niet rechtstreeks voort uit de beslissing van de burgemeester maar uit de toepassing door de verhuurder van artikel 7:231, lid 2 van het BW. Het schorsen van het besluit tot sluiting van de berging betekent ook niet zonder meer dat daarmee de ontbinding van de huurovereenkomst ongedaan wordt gemaakt.
Of de eigenaar ook in dit geval de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden en van verzoeker mag eisen de woning te ontruimen, is een kwestie die verzoeker zelf aan de daarvoor bevoegde rechter, de kantonrechter, kan voorleggen.
6. Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 25 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.