Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:2714
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,223 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/394883 / FA RK 22-768
datum uitspraak: 22 april 2024
nadere beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. P.E. Epping te Rotterdam,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
feitelijk wonende in [woonplaats 2] in België, maar in de Basisregistratie Personen (BRP) sinds 15 februari 2024 ingeschreven op een adres in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. de Maaré te Breda,
betreffende de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek van de man te adviseren.
1Het verdere procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de mondelinge behandeling van de zaak op 12 mei 2023 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal;
- het F9-formulier van mr. C.M. van den Reek, ingediend namens mr. De Maaré, van 10 juli 2023;
- het F9-formulier van mr. Epping met bijlage van 17 juli 2023;
- het F9-formulier van mr. De Maaré met bijlage van 19 juli 2023;
- het e-mailbericht van het mediationbureau rechtbank Zeeland-West-Brabant van23 oktober 2023;
- het F9-formulier van mr. Epping van 2 november 2023;
- de brief van de griffier van de rechtbank van 18 december 2023 gericht aan (de advocaten van) partijen;
- het e-mailbericht van mr. Epping van 20 december 2023;
- het F9-formulier van mr. De Maaré van 19 december 2023;
- het F9-formulier van mr. Epping van 18 januari 2024;
- de door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingezonden reactieformulieren, binnengekomen bij de rechtbank op 29 maart 2024;
1.2
De zaak is op 12 april 2024 met gesloten deuren nader mondeling behandeld.
Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was een medewerkster namens de Raad aanwezig.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd over het verzoek van de man. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter op 11 april 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De nadere beoordeling
2.1
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank stelt vast dat de vrouw bij de start van de procedure samen met de minderjarigen woonachtig was in [woonplaats 1] in Nederland. Begin maart 2023 is de vrouw samen met de minderjarigen in [woonplaats 2] in België gaan wonen. Bij F9-formulier van19 december 2023 heeft mr. De Maaré te kennen gegeven dat de vrouw vanwege woning problematiek genoodzaakt was een woning te huren in België, maar dat zij en de minderjarigen inmiddels al weer enige tijd op een adres in Nederland staan ingeschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw hierop aanvullend aangevoerd dat zij nog in België woont maar inmiddels een woning voor haar en de minderjarigen heeft gevonden in [woonplaats 1] , en dat zij volgende week samen met de minderjarigen naar deze woning gaat verhuizen.
Bevoegdheid
Ingevolge artikel 8 lid 1 van de Verordening Brussel IIbis (Verordening (EG) nr. 2201/2003) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. De man heeft zijn oorspronkelijke verzoek op14 februari 2022 ingediend. De minderjarigen waren op dat moment in Nederland woonachtig. Daarmee werd de Nederlandse rechter bevoegd om in deze zaak te beslissen.
Voor reeds aanhangig gemaakte procedures behoudt de Nederlandse rechter de bevoegdheid tot de procedures tot een definitieve beslissing hebben geleid of anderszins zijn beëindigd. Dit maakt dat de Nederlandse rechter ook nu nog bevoegd is, ondanks de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar België in de loop van deze procedure.
Toepasselijk recht
Vanwege de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar België ligt de vraag voor welk recht van toepassing is; het Belgische recht of het Nederlandse recht. Dit dient beantwoord te worden naar de regels van internationaal privaatrecht. Deze regels zijn op het punt van de ouderlijke verantwoordelijkheid vastgelegd in het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (hierna HKV 1996), specifiek artikel 15 en 16 van het HKV 1996.
De vraag die hierbij centraal staat is of de verhuizing van de vrouw samen met de minderjarigen naar België heeft geleid tot een wijzing van gewone verblijfplaats van de minderjarigen van Nederland naar België. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de gewone verblijfplaats van een kind – die overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt – worden bepaald op basis van een omvattende analyse van de feitelijke omstandigheden van elke zaak. Behalve met de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een staat moet ook rekening worden gehouden met andere factoren waaruit kan blijken dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.
Op basis van de voorliggende stukken, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling en kindgesprekken met de minderjarigen naar voren is gekomen is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat het leven van de minderjarigen, ondanks hun verhuizing samen met de vrouw in maart 2023 naar België, gericht is gebleven op Nederland. Zo zijn de minderjarigen onder meer in Nederland naar school blijven gaan, zijn zij hun sport (beiden voetbal) blijven uitoefen in Nederland en vinden hun sociale en familiale contacten nog altijd hoofdzakelijk plaats in Nederland. De minderjarigen hebben dan ook een nauwe en duurzame band met Nederland behouden. Daarnaast is de rechtbank voldoende gebleken dat de vrouw niet de intentie heeft gehad om zich met de minderjarigen definitief te vestigen in België. Onbetwist is gesteld dat vanwege woningnood in Nederland de vrouw tijdelijk een woning in België heeft gehuurd waarbij het uiteindelijke doel was om terug te verhuizen naar Nederland op het moment dat zij een geschikte woning in Nederland gevonden had. Dit is de vrouw gelukt, waarbij op korte termijn de verhuizing van de vrouw samen met de minderjarigen naar [woonplaats 1] in Nederland gaat plaatsvinden.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, en dat de ‘tijdelijke’ verhuizing van de minderjarigen naar België in maart 2023 hierin geen verandering heeft gebracht. Dit betekent dan ook dat op het verzoek van de man het Nederlands recht op grond van artikel 15 van het HKV 1996 onverminderd van toepassing is.
Dictum
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt aan de beslissing op het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag aan
22 oktober 2024 PRO FORMA, in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2024, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Inleiding
2.2
Gezag
Aan de orde is het verzoek van de man om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem en de vrouw voortaan gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De vrouw voert verweer tegen dit verzoek. Zij vreest dat de minderjarigen bij gezamenlijke gezagsuitoefening klem of verloren zullen raken tussen partijen.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd vast dat de samenwerking tussen partijen stroef verloopt en dat hun manier van communiceren te wensen overlaat. Om conflicten te voorkomen hebben partijen ervoor gekozen om niet rechtstreeks meer met elkaar te communiceren, maar om de communicatie tussen hen voornamelijk via de minderjarigen te laten verlopen. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat dit een enorme belasting voor de minderjarigen vormt en dat het niet in het belang van de minderjarigen is om als boodschappers voor hun ouders te moeten fungeren.
De medewerkster van de Raad heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om middels hulpverlening te werken aan een verbetering van de onderlinge samenwerking en communicatie, waarbij partijen leren om als ouders van de minderjarigen weer de verbinding met elkaar aan te gaan en invulling te geven aan gezamenlijke gezagsuitoefening. Daarbij heeft de Raad benadrukt dat voorkomen moet worden dat de slechte samenwerking en communicatie tussen partijen op een bepaald moment zijn weerslag gaat krijgen op de omgang tussen de man en de minderjarigen, die tot op heden goed verloopt. De Raad ziet hierin een groot risico gelegen, welk risico door de rechtbank wordt gedeeld.
De man heeft aangegeven open te staan voor een hulpverleningstraject met de vrouw en hieraan zijn medewerking te willen verlenen. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen hulpverleningstraject samen met de man wenst aan te gaan. Zij stelt dat de eerder ingezette hulpverleningstrajecten, waaronder een hulpverleningstraject bij [jeugdorganisatie] , een hulpverleningstraject bij [jeugdhulp] in het kader van het Uniform Hulpaanbod en een mediationtraject, geen verbetering hebben gebracht in de situatie tussen partijen. De vrouw heeft daarom geen vertrouwen in nogmaals een hulpverleningstraject.
De rechtbank constateert dat voormelde trajecten inderdaad zijn opgestart voor partijen, maar stelt daarbij tevens vast dat aan deze trajecten door partijen nagenoeg geen uitvoering is gegeven. Zo hebben partijen afgezien van deelname aan het hulpverleningstraject bij [jeugdorganisatie] op het moment dat zij, na het doorlopen van de wachtlijst, aan de beurt waren. Het hulpverleningstraject bij [jeugdhulp] is voortijdig beëindigd vanwege de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar België. Aan het mediatontraject is door partijen na enkele gesprekken geen vervolg meer gegeven, waardoor dit traject is beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat door partijen nog niet intensief, in samenwerking met hulpverlening, gewerkt aan een verbetering van hun onderlinge relatie op ouderniveau. Voor de opstart van een nieuw/ander hulpverleningstraject is evenwel de medewerking van beide partijen nodig nu dit gebaseerd is op vrijwilligheid. De man is bereid om hulpverlening aan te gaan, maar de vrouw staat hiervoor, zoals duidelijk door haar te kennen gegeven tijdens de mondelinge behandeling, niet open.
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind(eren). Slechts wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties tegen gezamenlijk gezag is eenhoofdig gezag gegeven.
De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag. Partijen zijn tot op heden in staat om uitvoering te geven aan een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen, maar onduidelijk is of partijen in staat zijn tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijke gezag over de minderjarigen. Eerder opgestarte hulpverleningstrajecten hebben hierover, maar ook over de mogelijkheid tot verbetering van de onderlinge relatie tussen de ouders, geen uitsluitsel kunnen geven aangezien deze trajecten geen voeten aan de grond hebben gekregen. Ten aanzien van de uitvoering van de zorgregeling hebben partijen op zitting verklaard dat de communicatie hoofdzakelijk via de kinderen verloopt. Dit acht de rechtbank een zeer ongewenste situatie. Verder constateert de rechtbank dat partijen nog steeds veel conflicten met elkaar hebben, er over en weer verwijten en beschuldigingen worden geuit en het wantrouwen naar elkaar groot is. Dit is langere tijd gaande en partijen slagen er niet in hier verbetering in aan te brengen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de Raad opdracht te geven voor het verrichten van een onderzoek en de volgende twee vragen te beantwoorden:
bestaat er, als partijen samen het gezag krijgen, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem komen te zitten tussen partijen en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van de minderjarigen om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
welke andere feiten en/of omstandigheden zijn nog van belang om te vermelden?
Daarbij overweegt de rechtbank dat het de Raad vrij staat om zijn onderzoek, indien daartoe aanleiding wordt gezien, uit te breiden met een beschermingsonderzoek. De slechte communicatie tussen partijen is voor de minderjarigen zeer belastend en kan hun ontwikkeling negatief beïnvloeden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een beslissing op het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag aanhouden voor de duur van zes maanden in afwachting van het raadsonderzoek.
De rechtbank wil uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum in ieder geval op de hoogte worden gesteld over (de voortgang van) het onderzoek door de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog niet gereed is.