Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:2639
Strafrecht
Op tegenspraak
4,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-105977-23
vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1972 te [plaats 1] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 190 gram amfetamine, 545 gram 2C-B, 160 gram lsd, 7.265 gram MDMA en 1.305 gram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de harddrugs en de hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad. Voor het overige dient verdachte te worden vrijgesproken..
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte toestemming heeft gegeven om de spullen in zijn huis neer te zetten, zodat hoogstens tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van de aangetroffen verdovende middelen kan worden gekomen. De verdediging heeft zich op dat punt dan ook gerefereerd. Voor het overige dient vrijspraak te volgen.
4.3
Beoordeling
4.3.1
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.3.2
Bewijswaardering
Vast staat dat op 21 april 2023 in de woning van verdachte de tenlastegelegde hoeveelheden drugs zijn aangetroffen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij door iemand is benaderd die hem vroeg of hij de spullen een aantal weken bij hem thuis kon bewaren. Verdachte zou hier € 1.000,- voor krijgen. Verdachte heeft hiermee ingestemd en de spullen zijn vervolgens op zijn zolder geplaatst. Verdachte heeft de spullen gezien en vermoedde dat het om drugs ging. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.
4.4
De bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 21 april 2023 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad, 190 gram amfetamine en
545 gram 2C-B en 160 gram lsd en 7265 gram MDMA zijnde amfetamine en 2C-B en lsd en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 21 april 2023 te [plaats 2] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 1305 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Verzocht wordt om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de door de officier van justitie voorgestelde gevangenisstraf te matigen.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een flinke hoeveelheid hard- en softdrugs. Dit zijn ernstige feiten. Verdovende middelen zijn verslavende stoffen en kunnen (bij langdurig gebruik) schadelijk zijn voor de gezondheid. Het gebruik van deze middelen is daarnaast ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de verdere verspreiding van drugs gepaard gaande criminaliteit.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 februari 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft daarmee rekening gehouden in de strafmaat, alsmede met de gezondheidsklachten waarmee verdachte kampt.
Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 20 maanden passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Het beslag
7.1
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen bedrag van € 5.810,- aan verdachte, omdat verdachte redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- heft op het - geschorste - bevel voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van € 5.810,- (goednummers G2584669, G2584640 en G2584652).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. D.L.J. Martens en mr. L.H. de Jong, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2024.
Mr. Sterk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-105977-23
vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1972 te [plaats 1] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 190 gram amfetamine, 545 gram 2C-B, 160 gram lsd, 7.265 gram MDMA en 1.305 gram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de harddrugs en de hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad. Voor het overige dient verdachte te worden vrijgesproken..
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte toestemming heeft gegeven om de spullen in zijn huis neer te zetten, zodat hoogstens tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van de aangetroffen verdovende middelen kan worden gekomen. De verdediging heeft zich op dat punt dan ook gerefereerd. Voor het overige dient vrijspraak te volgen.
4.3
Beoordeling
4.3.1
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.3.2
Bewijswaardering
Vast staat dat op 21 april 2023 in de woning van verdachte de tenlastegelegde hoeveelheden drugs zijn aangetroffen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij door iemand is benaderd die hem vroeg of hij de spullen een aantal weken bij hem thuis kon bewaren. Verdachte zou hier € 1.000,- voor krijgen. Verdachte heeft hiermee ingestemd en de spullen zijn vervolgens op zijn zolder geplaatst. Verdachte heeft de spullen gezien en vermoedde dat het om drugs ging. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.
4.4
De bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 21 april 2023 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad, 190 gram amfetamine en
545 gram 2C-B en 160 gram lsd en 7265 gram MDMA zijnde amfetamine en 2C-B en lsd en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 21 april 2023 te [plaats 2] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 1305 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Verzocht wordt om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de door de officier van justitie voorgestelde gevangenisstraf te matigen.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een flinke hoeveelheid hard- en softdrugs. Dit zijn ernstige feiten. Verdovende middelen zijn verslavende stoffen en kunnen (bij langdurig gebruik) schadelijk zijn voor de gezondheid. Het gebruik van deze middelen is daarnaast ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de verdere verspreiding van drugs gepaard gaande criminaliteit.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 februari 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft daarmee rekening gehouden in de strafmaat, alsmede met de gezondheidsklachten waarmee verdachte kampt.
Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 20 maanden passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Het beslag
7.1
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen bedrag van € 5.810,- aan verdachte, omdat verdachte redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- heft op het - geschorste - bevel voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van € 5.810,- (goednummers G2584669, G2584640 en G2584652).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. D.L.J. Martens en mr. L.H. de Jong, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2024.
Mr. Sterk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.