Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:2599
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1411
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] V.O.F., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D. van Tilborg),
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 10 maart 2023 als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Inhoud Woo verzoek
3. Het Woo-verzoek van 10 maart 2023 heeft betrekking op de volgende twee deelonderwerpen:
i) Alle documenten (de digitale vorm daaronder begrepen, intern en extern) uit het dossier van de NVWA die betrekking hebben op de discussie in de Working Group of governmental experts on food additives en het destijds door Nederland ingenomen standpunt in deze werkgroep, zowel tijdens de behandeling van het onderwerp als daarna.
ii) Alle documenten uit het dossier van de NVWA die betrekking hebben op de totstandkoming van het in het bericht van 13 februari 2023 door de NVWA ingenomen standpunt.
Deelonderwerp i en ii:
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Als de betrokkene geen rechtsgeldige ingebrekestelling stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij op 20 oktober 2023 de minister in gebreke heeft gesteld. De minister stelt zich op het standpunt dat de brief van 20 oktober 2023 niet voldoet aan de vereisten voor een ingebrekestelling.
4.1.
Van een ingebrekestelling is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Voldoende duidelijk moet dan zijn op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van 20 oktober 2023 niet blijkt dat eiseres er bij de minister erop aandringt om alsnog het besluit zo spoedig mogelijk te nemen.
De zinnen “Ons gerechtvaardigde belang is om de 51 documenten die u kennelijk al voor ons klaar hebt liggen nu zo snel mogelijk te ontvangen…” en “Het heeft allemaal al veel te lang geduurd en de documenten liggen klaar dus er is geen enkel redelijk belang bij verder uitstel” als de zin “Nu u hebt aangegeven dat de documenten min om meer voor verzending gereed liggen verzoek ik u deze moet spoed en zonder verdere vertraging aan ons toe te sturen” zijn daartoe onvoldoende. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft deze brief naar het oordeel van de rechtbank slechts een herinnering aan een lopend verzoek.
4.3.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister nog wel een beslissing op deelonderwerp i van het Woo verzoek van 10 maart 2023 moet nemen en aan eiseres bekend moet maken.
Deelonderwerp ii
6. De rechtbank stelt vast dat de minister na het instellen van het beroep op 19 februari 2024 door middel van twee deelbesluiten op deelonderwerp ii van het Woo verzoek heeft beslist.
6.1.
Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen deze besluiten.
6.2.
Niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op deelonderwerp ii van haar aanvraag. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op deelonderwerp ii van haar aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
6.3.
Eiseres heeft bij brief van 29 maart 2024 inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de alsnog genomen besluiten van 19 februari 2024. De rechtbank ziet aanleiding het beroep voor zover gericht tegen de alsnog genomen besluiten van 19 februari 2024 te verwijzen naar de minister ter behandeling als bezwaar (artikel 6:20, vierde lid, van de Awb).
6.4.
Dit betekent dat de rechtbank het (aanvullende) beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van de minister zal de rechtbank hem dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen de besluiten van 19 februari 2024 naar de minister ter behandeling als bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 19 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2014:4682.