Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:2492
Strafrecht
Raadkamer
1,084 tokens
Dictum
[klaagster/beslagene],
wonende op het [woonadres],
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 6 december 2023 onder klaagster in beslag is genomen: een hond, de Mechelse Herder genaamd [naam hond] (hierna de noemen de hond);
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 2 februari 2024 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 11 maart 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein en klaagster.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klaagster van de hond.
Tijdens de behandeling in raadkamer is namens klaagster aangevoerd dat zij nooit problemen met de hond heeft gehad en dat ze de hond graag terug zou willen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beslag gehandhaafd moet worden. De hond is in beslag genomen omdat hij tot twee keer toe betrokken was bij een bijtincident. Op 12 januari 2024 is er een risicoanalyse rapport uitgebracht door de Universiteit van Utrecht. Het onderzoek voorafgaand aan het rapport is zorgvuldig gedaan en uit het rapport komt naar voren dat de hond niet terug kan naar klaagster en ook niet herplaatsbaar is, zodat de hond geëuthanaseerd moet worden. De officier van justitie verzoek het klaagschrift ongegrond te verklaren.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op de hond is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van de hond kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Klaagster wordt verweten dat zij niet voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een gevaarlijk dier. Op basis van de thans voorhanden zijnde stukken is er sprake van een redelijke verdenking. De hond van klaagster is betrokken geweest bij bijtincidenten. De inbeslagneming is rechtmatig geweest. De hond is onderworpen aan een uitgebreid onderzoek waaruit naar voren is gekomen dat de hond een hoog risico vormt ten opzichte van mensen, kinderen en ook andere honden. In het rapport is opgenomen dat de hond niet terug geven kan worden aan klaagster en ook niet herplaatsbaar is gezien het zojuist genoemde hoge risico. De rechtbank acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de hond zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen hond, zodat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 25 maart 2024 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering)