Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:2491
Strafrecht
Raadkamer
1,146 tokens
Dictum
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Houweling advocaat te Roosendaal, (Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal),
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van € 733,65, zijnde de kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met € 680,00 zijnde de kosten met betrekking tot het opstellen, indienen en het behandelen van het verzoekschrift in raadkamer;
het sepot van 25 november 2023;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 maart 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein en de gemachtigd raadsman mr. M. Houweling advocaat te Roosendaal gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling in raadkamer verschenen.
De officier van justitie blijft bij het schriftelijk ingenomen standpunt. Verzoeker is op de hoogte gesteld van het sepot en daarna heeft de raadsman werkzaamheden verricht. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de zaak al geseponeerd was.
Namens verzoeker heeft de raadsman het verzoek in raadkamer nader toegelicht. De raadsman stelt zich op het standpunt dat hij noch verzoeker op de data waarop de werkzaamheden ten behoeve van de stafzaak zijn verricht de hoogte waren van het sepot. De raadsman verzoekt het verzoekschrift toe te wijzen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij of zij heeft geleden.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de raadsman in raadkamer het verzoek om schadevergoeding genoegzaam heeft toegelicht en derhalve aannemelijk heeft gemaakt dat hij alvorens de werkzaamheden zijn verricht niet op de hoogte was van het sepot. Dat verzoeker mondeling van de politie heeft vernomen dat de zaak geseponeerd zou worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te stellen dat verzoeker geen juridische bijstand had moeten zoeken. Uit de stukken is niet gebleken dat het verzoeker duidelijk was dat hij niet verder vervolgd zou worden. De rechtbank is van oordeel dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn om het verzoek tot schadevergoeding toe te kennen.
Het verzochte bedrag aan rechtsbijstand ter grootte van € 733,65 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 1.413,65.
De rechtbank bepaalt dat een bedrag van € 1.413,65 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer], ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten BV onder vermelding van [kenmerk].
Deze beslissing is op 25 maart 2024 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.