Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:2469
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,617 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/419541 / KG ZA 24-93
Vonnis in kort geding van 5 april 2024
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. N. Wouters te Middelburg,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal.
Eiser zal hierna de man genoemd worden. Gedaagde zal de vrouw worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties;
de nadere producties (14 en 15) van mr. Wouters, ingekomen op 21 maart 2024;
de mondelinge behandeling op 22 maart 2024.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.3.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 17 maart 2023 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man één keer per week contact heeft met [minderjarige] , gedurende
twee uur, op een neutrale locatie, waarbij de hulpverlening voorwaarden mag stellen aan de doorgang van de contacten zoals het afnemen van een blaastest door de man. Daarnaast heeft de rechtbank een vakantieregeling bepaald en kan in onderling overleg en met behulp van [jeugdhulp] (of een vergelijkbare regeling) worden afgeweken van de regeling.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 juli 2023 is het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen en haar aldaar in te schrijven op een basisschool afgewezen.
Geschil
3.1.
De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. De vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de vastgestelde zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 17 maart 2023, gewezen onder kenmerk C/02/406416/JE RK 23-273, waarbij [minderjarige] en de man in ieder geval 2 uur per week contact hebben op een neutrale locatie, alles op verbeurte van een dwangsom van € 100,= voor iedere dag(deel) dat moeder in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 5.000,=, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
II. Te bepalen dat vervangende toestemming wordt verleend aan de man, dan wel aan [jeugdhulp], ter vervanging van de toestemming van de vrouw, waarbij de toestemming strekt tot aanwijzing/inzet van een professionele hulpverleningsinstantie, die ingezet wordt in de omgangsbegeleiding tussen de man en [minderjarige] , waarbij de keuze voor de hulpverleningsinstantie neergelegd wordt bij [jeugdhulp] als casusregisseur.
III. Dan wel een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat, zodra uit een blaastest of anderszins ter beoordeling van de hulpverleningsinstantie blijkt dat de man onder invloed is van alcohol direct voorafgaand of tijdens het begeleid contact tussen de man en [minderjarige] , de vrouw de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Familie- en Jeugdrecht, locatie Middelburg van 17 maart 2023 onder zaaknummer C/02/406416 / JE RK 23-273 mag schorsen, althans een beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vernemen te behoren.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.
4.3.
De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn vordering onder II ingetrokken, omdat de vrouw inmiddels instemt met inzet van een professionele hulpverleningsinstantie, te weten [jeugdzorgspecialist]. Deze vordering kan daarom niet meer worden onderzocht en zal worden afgewezen.
4.4.
Ter onderbouwing van zijn (overige) vorderingen heeft de man, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De contactmomenten conform de zorgregeling zijn meermaals niet doorgegaan omdat [minderjarige] dit niet wilde. Het is volgens de man aan de vrouw om ervoor te zorgen dat de contactmomenten doorgang blijven vinden en [minderjarige] hiertoe aan te sporen. Tweemaal is een contactmoment niet doorgegaan ten gevolge van een positieve blaastest van de man. Dit betroffen echter zeer lage promillages die volgens de man niet te wijten zijn aan alcoholgebruik, maar aan bijvoorbeeld het gebruik van mondwater. Ook zijn de uitslagen van blaastesten niet betrouwbaar; zo geeft het meerdere keren uitvoeren van de blaastest op hetzelfde moment telkens een andere uitslag. De man vindt dat er een kleine marge dient te zitten in de uitslag van de blaastest onder welke omstandigheden een contactmoment alsnog kan plaatsvinden.
De man voert verweer tegen de eis in reconventie van de vrouw. Wanneer de hulpverlening al een veiligheidsinschatting maakt en beoordeelt of het contactmoment doorgang kan vinden, is er geen meerwaarde voor de vrouw om de omgang alsnog te kunnen schorsen.
4.5.
Ter onderbouwing van haar verweer en vordering in reconventie voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. Zij is zich ervan bewust dat de man recht heeft op contact met [minderjarige] . De man is echter geenszins in staat gebleken veilig, voorspelbaar en onbelast contact met [minderjarige] te hebben. Meermaals zijn de contactmomenten niet doorgegaan omwille van een positieve alcoholblaastest van de man, of vanwege privé afspraken van de man of omdat [minderjarige] niet naar de man wilde gaan. Hierdoor is er geen regelmaat in de bezoeken, hetgeen bij [minderjarige] voor teleurstelling zorgt. Het is niet zo dat de vrouw de bezoeken steeds vaker niet door zou laten gaan. De vrouw zal haar medewerking verlenen aan de vastgestelde zorgregeling als de hulpverlening voorwaarden mag stellen aan doorgang van contacten zoals het afnemen van een blaastest. In geval van toewijzing van de vordering van de man is dit niet meer mogelijk, wat de veiligheid van [minderjarige] in gevaar zal brengen en tevens in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De vrouw verweert zich tegen het hanteren van een marge in de uitslag van de alcoholblaastest. Hiermee wordt de omgangsbegeleiding een taak opgedragen waar zij niet op zijn toegesneden. De meest duidelijke norm is 0,0 promille. Voor het opleggen van een dwangsom is geen aanleiding omdat de vrouw zal meewerken aan de beslissing van de voorzieningenrechter. Ter onderbouwing van de vordering in reconventie stelt de vrouw dat in het geval de hulpverlening heeft aangegeven dat er aan de voorwaarden is voldaan en het contactmoment dient plaats te vinden, zij het contactmoment omwille van de veiligheid van [minderjarige] (alsnog) wenst te kunnen stoppen.
4.6.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geeft de Raad aan dat het belangrijk is dat [minderjarige] op een onbelaste manier contact heeft met de man. Dit heeft prioriteit boven de uitspraken van [minderjarige] dat zij niet wil, bijvoorbeeld omdat zij met een vriendin wil spelen. Door de vrouw moet uitgedragen worden dat de contactmomenten met de man voorrang hebben, zodat [minderjarige] weet wat het gedragen plan is. De Raad adviseert de vorderingen af te wijzen. Het opleggen van een dwangsom werkt strijdverhogend. Over de vordering van de vrouw geeft de Raad aan dat de vrouw niet op afstand zou moeten beoordelen dat het contactmoment moet stoppen. De omgangsbegeleiding kan als professionele instantie een veiligheidsinschatting maken. De Raad adviseert daarbij een marge te hanteren in de uitslag van de alcoholblaastesten, waarbij het belangrijk is dat de omgangsbegeleiding een inschatting maakt van de houding van de man voorafgaand aan en tijdens de contactmomenten. In dat geval zal er meer structureel contact zijn tussen de man en [minderjarige] .
4.7.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de rechtbank bij beschikking van 17 maart 2023 vastgestelde zorgregeling in beginsel dient te worden nagekomen. Partijen twisten vooral over de vraag of de contacten op een veilige manier kunnen plaatsvinden in geval van een (minimale) positieve uitslag van de alcoholblaastest van de man en of het contactmoment in een dergelijk geval doorgang dient te vinden. Om deze reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voormelde beschikking te verduidelijken op de wijze als hierna wordt uiteengezet.
4.8.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is de voorzieningenrechter allereerst van oordeel dat er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn die omgang tussen de man en [minderjarige] in de weg staan. De voorzieningenrechter stelt vast dat vanaf september 2023 tweemaal een contactmoment niet is doorgegaan omwille van een (zeer minimale) positieve alcoholblaastest van de man. De overige keren dat het contactmoment geen doorgang heeft gevonden was dat veelal omdat [minderjarige] dat niet wilde en enkele malen door externe omstandigheden, zoals het gesloten zijn van het gemeentehuis. De twee keren dat de man een positieve alcoholblaastest had, betroffen zeer minimale promillages. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er een kleine onbetrouwbaarheidsmarge zit in de uitslag van alcoholblaastesten. Dit brengt mee dat de geringe positieve uitslagen van de man met enige voorzichtigheid moeten worden benaderd. Dit geldt te meer nu uit niets blijkt dat op de dagen van deze positieve uitslagen het gedrag en de presentatie van de man enige aanleiding gaven voor het vermoeden van alcoholgebruik. Onder deze omstandigheden valt de onzekerheidsmarge van de alcoholblaastest naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit in het nadeel van [minderjarige] . Zij heeft in zo’n geval immers geen contact met de man, hetgeen schadelijk is voor (de opbouw van) haar vertrouwen in de man, te meer nu uit de aard der zaak een annulering van het contactmoment in dat geval pas zeer kort voor het geplande moment plaatsvindt. Anders gezegd, met een strikte hantering van een 0,0-grens kan de voorwaarde van een blaastest die is bedoeld ter bescherming van [minderjarige] in haar nadeel uitpakken. Dit is uiteraard niet de bedoeling van de beslissing in de beschikking van 17 maart 2023. De voorzieningenrechter is daarom met de Raad van oordeel dat er een bandbreedte van toepassing dient te zijn bij de uitslag van de alcoholblaastest, waarbij het vervolgens aan de omgangsbegeleider is om op basis van het gedrag en de presentatie van de man te beoordelen of het verantwoord is om het contactmoment al dan niet doorgang te laten vinden. Bij de bepaling van deze bandbreedte zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij het maximaal toegestane alcoholpromillage van een beginnend bestuurder, te weten 0,2 promille.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
handhaaft de beslissing d.d. 17 maart 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank met kenmerk C/02/406416/JE RK 23-273, met dien verstande dat met de uitkomst van de afname van een blaastest bij de man (welke blaastest door de hulpverlening kan worden gesteld als voorwaarde voor de doorgang van de contacten) dient te worden gehandeld als bepaald onder r.o. 4.8. van dit vonnis,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst het gevorderde af.
5.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. Holierhoek en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. Oude Weernink.