Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2024:2452
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,780 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4706 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. P.H. Pijpelink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het schadeverzoek van verzoekster.
Verzoekster heeft aan het UWV gevraagd om haar schade te vergoeden. Bij brief van 24 augustus 2022 heeft het UWV aan verzoekster meegedeeld het schadeverzoek niet in behandeling te kunnen nemen.
Verzoekster heeft de rechtbank op 4 oktober 2022 verzocht een oordeel te geven over de brief van 24 augustus 2022. De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek het UWV te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding.
Op de zitting van de rechtbank van 12 februari 2024 zijn partijen met voorafgaand bericht niet verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling
Inleiding
1. Verzoekster was werkzaam als taxichauffeur. Op 6 februari 2017 heeft zij zich ziekgemeld. Op verzoek van de werkgever is de loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte vrijwillig verlengd tot 15 mei 2019. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft het UWV geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen per 15 mei 2019. Met de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2019 is het UWV bij die afwijzing gebleven. Verzoekster is in beroep gegaan. In haar beroepschrift heeft zij een voorlopige schadevergoeding gevorderd bestaande uit 12 maanden loon inclusief vakantietoeslag tot een bedrag van € 13.312,50.
2. Op 19 april 2021 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV nog een besluit moet nemen over de bezwaargronden van verzoekster inzake het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever. In zoverre is het beroep gegrond verklaard.
3. Het UWV heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Bij besluit van 20 december 2021 is alsnog geoordeeld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Een loonsanctie kan echter niet meer worden opgelegd.
4. Met de brief van 21 december 2021 heeft het UWV de ontvangst van het schadeverzoek van verzoekster (zoals opgenomen in haar beroepschrift) bevestigd.
5. Met de brief van 19 januari 2022 heeft het UWV aan verzoekster gevraagd om nadere stukken toe te sturen waaruit blijkt hoe hoog de loondoorbetaling in het derde ziektewetjaar zou zijn geweest. Met de brief van 6 juli 2022 is nogmaals om informatie verzocht.
6. Met de brief van 24 augustus 2022 heeft het UWV meegedeeld het schadeverzoek niet in behandeling te kunnen nemen omdat verzoekster niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie.
7. De rechtbank heeft bij brief van 24 november 2022 aan verzoekster gevraagd om haar schadeverzoek te onderbouwen. Verzocht is om daarbij ook in te gaan op de stelling van het UWV dat verzoekster niet heeft gereageerd op de verzoeken om nadere informatie.
Standpunt verzoekster
8. Bij brief van 20 december 2022 heeft verzoekster gesteld dat zij in haar beroepschrift tegen het besluit van 16 mei 2019 haar schade heeft begroot op € 13.312,50. De brieven waarmee het UWV om nadere informatie heeft gevraagd heeft zij nooit ontvangen. Verzoekster heeft gesteld dat van het UWV verwacht had mogen worden dat zij telefonisch contact met haar zou hebben opgenomen als er nog informatie nodig was. Overigens had het UWV ook zonder de gevraagde informatie kunnen reageren op het schadebedrag genoemd in het beroepschrift. Verzoekster is van mening dat haar schadeverzoek ontvankelijk is. Verzoekster heeft haar loonschade nader toegelicht. Buiten de loonschade over het derde ziektejaar heeft verzoekster ook kansschade (wegens misgelopen werk en inkomsten), pensioenschade en schade wegens lager uitbetaalde transitievergoeding gevorderd.
Standpunt UWV
9. Het UWV heeft de loonschade vastgesteld op € 3.488,79. Inzake de kansschade heeft het UWV opgemerkt dat deze te speculatief is om voor vergoeding in aanmerking te komen. De geclaimde pensioenschade komt volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de transitievergoeding heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat de berekening van verzoekster niet te volgen is.
Formele beoordeling
10. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld hoe de brief van 24 augustus 2022 van het UWV moet worden gekwalificeerd.
Anders dan bij een aanvraag om een uitkering, kent een schadeverzoek geen formele eisen waaraan voldaan moet zijn voordat een verzoek in behandeling kan worden genomen. De stelling van het UWV dat het schadeverzoek niet in behandeling wordt genomen, zal de rechtbank daarom aanmerken als een afwijzing van het schadeverzoek met als motivering dat het schadeverzoek niet is onderbouwd.
11. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft verzoekster alsnog haar schadeverzoek onderbouwd. Ook heeft zij haar verzoek uitgebreid met andere schade dan de eerder geclaimde loonschade. In reactie hierop heeft het UWV de loonschade vastgesteld op € 3.488,79. De overige geclaimde schades zijn door het UWV afgewezen.
Wettelijk kader
12. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het UWV, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
Beoordeling
13. Niet in geschil is dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Het UWV zal daarom in beginsel de schade die is ontstaan ten gevolge van het niet opleggen van een loonsanctie moeten vergoeden. De rechtbank zal hierna per geclaimde schadepost beoordelen of het UWV die schade moet vergoeden.
Loonschade
14. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Uit het besluit van 20 december 2021 volgt dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever heeft opgelegd. Het UWV is dan gehouden de daarmee verband houdende schade aan de werkneemster te vergoeden over in beginsel een periode van 52 weken. Dat betekent dat moet worden bezien wat de (financiële) situatie van verzoekster zou zijn geweest indien het UWV aan haar werkgever over de periode van 15 mei 2019 tot en met 12 mei 2020 wel een loonsanctie had opgelegd. Over deze periode bestaat geen geschil van mening. De loonschade bestaat uit het verschil tussen het nettoloon waarop verzoekster over deze periode aanspraak had kunnen maken als een loonsanctie was opgelegd en de door verzoekster in die periode ontvangen netto-inkomsten.
15. Ter onderbouwing van haar loonschade heeft verzoekster gesteld dat haar netto-maandloon € 1.027,20 bedroeg. Dit bedrag maal 12 en verhoogd met vakantiegeld komt op een bedrag van € 13.312,50. Vervolgens heeft verzoekster uit de jaaropgaven over 2019 en 2020 een bedrag berekend dat zij aan uitkeringen heeft ontvangen (tot een bedrag van € 9.184,--). Als dit bedrag in mindering wordt gebracht komt verzoekster uit op een netto loonschade van € 4.128,50.
16. Het UWV is bij de berekening van de loonschade uitgegaan van een nettomaandloon van € 989,56. Dit bedrag maal 12 en verhoogd met vakantiegeld komt op een bedrag van € 12.824,64. De ontvangen uitkeringen inclusief vakantiegeld heeft het UWV berekend op € 9.335,85 waardoor de netto loonschade op € 3.488,79 is vastgesteld.
17. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het door haar genoemde nettomaandloon niet heeft onderbouwd, anders dan door te stellen dat dit loon in januari/februari 2019 zou zijn betaald. Het UWV daarentegen is bij de vaststelling van het nettoloon uitgegaan van de salarisstrook over de maand maart 2019. Omdat deze maand in het 3e ziektejaar ligt is de rechtbank van oordeel dat het UWV ervan uit heeft mogen gaan dat dit het nettoloon is dat gedurende de periode van 15 mei 2019 tot en met 12 mei 2020 per maand zou zijn uitbetaald. Voor de betaalde uitkering is het UWV uitgegaan van de specificaties van deze uitkering over de periode van 52 weken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee een zuiverdere berekening van de netto-uitkeringen wordt gemaakt, dan bij omrekening van twee jaaropgaven, zoals door verzoekster is gedaan. Dit betekent dat voor de nettoloonschade aangesloten moet worden bij de berekening van het UWV. Verzoekster heeft geen argumenten aangedragen die maken dat er van een hogere nettoloonschade moet worden uitgegaan. Het UWV heeft de nettoloonschade daarom terecht vastgesteld op € 3.488,79.
Kansschade
18. Het kansschade-leerstuk kan worden toegepast indien sprake is van onzekerheid over het bestaan van causaal verband tussen de aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis en de geleden schade. Deze leer van de kansschade kan aldus toegepast worden om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd.
19. Voordat de rechter toekomt aan het begroten van de betreffende kansschade, moet vastgesteld worden of er causaal verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de verloren gegane kans. Aan de toepassing van het kansschade-leerstuk gaat dus de vraag over causaal verband tussen de tekortkoming en het verlies van de kans vooraf. Pas na vaststelling van dat causaal verband komt de rechter toe aan begroting van de schade aan de hand van, kort gezegd, een schatting van de goede en kwade kansen. Daarnaast geldt dat slechts sprake kan zijn van het toepassen van kansschade indien het gaat om een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes.
20. Verzoekster heeft aan haar claim op kansschade ten grondslag gelegd dat, door het niet opleggen van een loonsanctie, de kans op een succesvolle re-integratie verloren is gegaan en daarmee ook haar kans op herstel en in dienst blijven bij haar werkgever tegen het volledige loon tot aan de pensioendatum.
21. Naar het oordeel van de rechtbank kan verzoekster geen aanspraken ontlenen aan het leerstuk van de kansschade. Daarvoor is immers vereist dat er sprake is van een causaal verband tussen het niet opleggen van de loonsanctie en het verlies van een (reële) kans op re-integratie, herstel en behoud van haar baan bij de eigen werkgever. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Daarbij wordt het volgende overwogen.
22. De arbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2021 beoordeeld of de re-integratie-activiteiten van de werkgever voldoende waren. In het rapport van 29 november 2021 heeft de arbeidsdeskundige haar bevindingen neergelegd. Zij heeft gerapporteerd dat uit eerdere rapportages blijkt dat verzoekster niet geschikt was voor het eigen werk, dit werk ook niet passend te maken was en er geen andere plaatsingsmogelijkheden in het eerste spoor waren. Er zijn door de arbeidsdeskundige geen tekortkomingen in het eerste spoor geconstateerd. Wel heeft de arbeidsdeskundige geconstateerd dat het tweede spoor vier maanden te laat is opgestart, waardoor er re-integratiekansen zijn gemist. Dit te laat opstarten van het tweede spoor is de reden geweest om te oordelen dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden.
23. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 29 november 2021 kan de rechtbank niet anders opmaken dan dat hervatting binnen het eigen werk en/of in ander werk bij de eigen werkgever geen reële optie was. Ook als de werkgever, na het opleggen van een loonsanctie, het tweede spoor verder had opgepakt, zou dit er hoogstwaarschijnlijk niet toe hebben geleid dat verzoekster in eigen of aangepast werk bij de eigen werkgever had kunnen hervatten. De re-integratie zou dan immers uitsluitend op het tweede spoor, dus werk bij een andere werkgever, zijn gericht. Nog daargelaten dat het zeer waarschijnlijk zou zijn geweest dat de werkgever na 4 maanden om verkorting van de loonsanctie had gevraagd en dit waarschijnlijk ook zou hebben gekregen nu de tekortkoming uitsluitend gelegen was in het te laat starten van het tweede spoor. De loonsanctie zou dan hooguit voor vijf maanden zijn geeffectueerd, waardoor de kans op hervatting in (eigen) werk nog minder reëel zou zijn geweest. Anders dan bij de loonschade, waarbij uitgegaan mag worden van de fictie dat de loonsanctie 52 weken zou doorlopen, is de rechtbank van oordeel dat bij het leerstuk van de kansschade ook de mogelijkheid van verkorting van de loonsanctie betrokken moet worden.
24. Uit het voorgaande volgt dat de kans dat verzoekster bij een opgelegde loonsanctie in eigen werk zou zijn hervat, zeer gering is. De enkele verwijzing van verzoekster naar een onderzoek van het UWV naar het effect van loonsancties op re-integratie is onvoldoende om hier anders over te oordelen.
Conclusie
30. Het UWV heeft de loonschade van verzoekster vastgesteld op € 3.488,79. Zoals uit alles wat hiervoor is overwogen blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de meerdere schade die door verzoekster wordt geclaimd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding zal toewijzen tot een bedrag van € 3.488,79.
31. Er bestaat geen aanleiding om het UWV te veroordelen tot het betalen van proceskosten en/of vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. Verzoekster heeft immers voorafgaand aan het indienen van haar schadeverzoek bij de rechtbank haar schade niet onderbouwd. Het UWV heeft die schade daarom destijds kunnen afwijzen. Nadat verzoekster haar geclaimde schade heeft onderbouwd, heeft het UWV erkend gehouden te zijn een schadevergoeding te betalen tot een bedrag van € 3.488,79. Zou verzoekster eerder met een onderbouwing zijn gekomen, dan had het UWV deze schade ook vergoed. Een uitspraak van de rechtbank daarover was dan niet nodig geweest. Ook voor zover verzoekster de brieven van het UWV waarin is gevraagd om een onderbouwing van haar schade niet heeft ontvangen, zou dit het oordeel niet anders maken. Zoals eerder al opgemerkt is het aan verzoekster om de geclaimde schade te onderbouwen. Een enkele niet onderbouwde stelling dat er schade is geleden, is onvoldoende. Gelet hierop dienen de proceskosten en het betaalde griffierecht voor rekening van verzoekster te blijven.
Dictum
De rechtbank;
wijst het schadeverzoek toe tot een bedrag van € 3.488,79;
wijst de gevorderde schade voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. mr. A.J.M. van Hees, griffier op 15 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
ECLI:NL:RBZWB:2021:4830
ECLI:NL:CRVB:2020:197
ECLI:NL:CRVB:2023:2421
ECLI:NL:PHR:2023:1202, overweging 4.47
ECLI:NL:HR:2012:BX7491, overweging 3.5.3
Zie ook ECLI:NL:PHR:2023:1202, overwegingen 4.49 t/m 4.51 en ECLI:NL:PHR:2018:1320, overwegingen 4.10 en 4.11
Vergelijk ECLI:NL:CRVB:2023:2421
ECLI:NL:CRVB:2020:197 en ECLI:NL:CRVB:2016:295
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4706 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. P.H. Pijpelink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het schadeverzoek van verzoekster.
Verzoekster heeft aan het UWV gevraagd om haar schade te vergoeden. Bij brief van 24 augustus 2022 heeft het UWV aan verzoekster meegedeeld het schadeverzoek niet in behandeling te kunnen nemen.
Verzoekster heeft de rechtbank op 4 oktober 2022 verzocht een oordeel te geven over de brief van 24 augustus 2022. De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek het UWV te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding.
Op de zitting van de rechtbank van 12 februari 2024 zijn partijen met voorafgaand bericht niet verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling
Inleiding
1. Verzoekster was werkzaam als taxichauffeur. Op 6 februari 2017 heeft zij zich ziekgemeld. Op verzoek van de werkgever is de loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte vrijwillig verlengd tot 15 mei 2019. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft het UWV geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen per 15 mei 2019. Met de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2019 is het UWV bij die afwijzing gebleven. Verzoekster is in beroep gegaan. In haar beroepschrift heeft zij een voorlopige schadevergoeding gevorderd bestaande uit 12 maanden loon inclusief vakantietoeslag tot een bedrag van € 13.312,50.
2. Op 19 april 2021 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV nog een besluit moet nemen over de bezwaargronden van verzoekster inzake het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever. In zoverre is het beroep gegrond verklaard.
3. Het UWV heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Bij besluit van 20 december 2021 is alsnog geoordeeld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Een loonsanctie kan echter niet meer worden opgelegd.
4. Met de brief van 21 december 2021 heeft het UWV de ontvangst van het schadeverzoek van verzoekster (zoals opgenomen in haar beroepschrift) bevestigd.
5. Met de brief van 19 januari 2022 heeft het UWV aan verzoekster gevraagd om nadere stukken toe te sturen waaruit blijkt hoe hoog de loondoorbetaling in het derde ziektewetjaar zou zijn geweest. Met de brief van 6 juli 2022 is nogmaals om informatie verzocht.
6. Met de brief van 24 augustus 2022 heeft het UWV meegedeeld het schadeverzoek niet in behandeling te kunnen nemen omdat verzoekster niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie.
7. De rechtbank heeft bij brief van 24 november 2022 aan verzoekster gevraagd om haar schadeverzoek te onderbouwen. Verzocht is om daarbij ook in te gaan op de stelling van het UWV dat verzoekster niet heeft gereageerd op de verzoeken om nadere informatie.
Standpunt verzoekster
8. Bij brief van 20 december 2022 heeft verzoekster gesteld dat zij in haar beroepschrift tegen het besluit van 16 mei 2019 haar schade heeft begroot op € 13.312,50. De brieven waarmee het UWV om nadere informatie heeft gevraagd heeft zij nooit ontvangen. Verzoekster heeft gesteld dat van het UWV verwacht had mogen worden dat zij telefonisch contact met haar zou hebben opgenomen als er nog informatie nodig was. Overigens had het UWV ook zonder de gevraagde informatie kunnen reageren op het schadebedrag genoemd in het beroepschrift. Verzoekster is van mening dat haar schadeverzoek ontvankelijk is. Verzoekster heeft haar loonschade nader toegelicht. Buiten de loonschade over het derde ziektejaar heeft verzoekster ook kansschade (wegens misgelopen werk en inkomsten), pensioenschade en schade wegens lager uitbetaalde transitievergoeding gevorderd.
Standpunt UWV
9. Het UWV heeft de loonschade vastgesteld op € 3.488,79. Inzake de kansschade heeft het UWV opgemerkt dat deze te speculatief is om voor vergoeding in aanmerking te komen. De geclaimde pensioenschade komt volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de transitievergoeding heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat de berekening van verzoekster niet te volgen is.
Formele beoordeling
10. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld hoe de brief van 24 augustus 2022 van het UWV moet worden gekwalificeerd.
Anders dan bij een aanvraag om een uitkering, kent een schadeverzoek geen formele eisen waaraan voldaan moet zijn voordat een verzoek in behandeling kan worden genomen. De stelling van het UWV dat het schadeverzoek niet in behandeling wordt genomen, zal de rechtbank daarom aanmerken als een afwijzing van het schadeverzoek met als motivering dat het schadeverzoek niet is onderbouwd.
11. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft verzoekster alsnog haar schadeverzoek onderbouwd. Ook heeft zij haar verzoek uitgebreid met andere schade dan de eerder geclaimde loonschade. In reactie hierop heeft het UWV de loonschade vastgesteld op € 3.488,79. De overige geclaimde schades zijn door het UWV afgewezen.
Wettelijk kader
12. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het UWV, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
Beoordeling
13. Niet in geschil is dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Het UWV zal daarom in beginsel de schade die is ontstaan ten gevolge van het niet opleggen van een loonsanctie moeten vergoeden. De rechtbank zal hierna per geclaimde schadepost beoordelen of het UWV die schade moet vergoeden.
Loonschade
14. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Uit het besluit van 20 december 2021 volgt dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever heeft opgelegd. Het UWV is dan gehouden de daarmee verband houdende schade aan de werkneemster te vergoeden over in beginsel een periode van 52 weken. Dat betekent dat moet worden bezien wat de (financiële) situatie van verzoekster zou zijn geweest indien het UWV aan haar werkgever over de periode van 15 mei 2019 tot en met 12 mei 2020 wel een loonsanctie had opgelegd. Over deze periode bestaat geen geschil van mening. De loonschade bestaat uit het verschil tussen het nettoloon waarop verzoekster over deze periode aanspraak had kunnen maken als een loonsanctie was opgelegd en de door verzoekster in die periode ontvangen netto-inkomsten.
15. Ter onderbouwing van haar loonschade heeft verzoekster gesteld dat haar netto-maandloon € 1.027,20 bedroeg. Dit bedrag maal 12 en verhoogd met vakantiegeld komt op een bedrag van € 13.312,50. Vervolgens heeft verzoekster uit de jaaropgaven over 2019 en 2020 een bedrag berekend dat zij aan uitkeringen heeft ontvangen (tot een bedrag van € 9.184,--). Als dit bedrag in mindering wordt gebracht komt verzoekster uit op een netto loonschade van € 4.128,50.
16. Het UWV is bij de berekening van de loonschade uitgegaan van een nettomaandloon van € 989,56. Dit bedrag maal 12 en verhoogd met vakantiegeld komt op een bedrag van € 12.824,64. De ontvangen uitkeringen inclusief vakantiegeld heeft het UWV berekend op € 9.335,85 waardoor de netto loonschade op € 3.488,79 is vastgesteld.
17. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het door haar genoemde nettomaandloon niet heeft onderbouwd, anders dan door te stellen dat dit loon in januari/februari 2019 zou zijn betaald. Het UWV daarentegen is bij de vaststelling van het nettoloon uitgegaan van de salarisstrook over de maand maart 2019. Omdat deze maand in het 3e ziektejaar ligt is de rechtbank van oordeel dat het UWV ervan uit heeft mogen gaan dat dit het nettoloon is dat gedurende de periode van 15 mei 2019 tot en met 12 mei 2020 per maand zou zijn uitbetaald. Voor de betaalde uitkering is het UWV uitgegaan van de specificaties van deze uitkering over de periode van 52 weken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee een zuiverdere berekening van de netto-uitkeringen wordt gemaakt, dan bij omrekening van twee jaaropgaven, zoals door verzoekster is gedaan. Dit betekent dat voor de nettoloonschade aangesloten moet worden bij de berekening van het UWV. Verzoekster heeft geen argumenten aangedragen die maken dat er van een hogere nettoloonschade moet worden uitgegaan. Het UWV heeft de nettoloonschade daarom terecht vastgesteld op € 3.488,79.
Kansschade
18. Het kansschade-leerstuk kan worden toegepast indien sprake is van onzekerheid over het bestaan van causaal verband tussen de aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis en de geleden schade. Deze leer van de kansschade kan aldus toegepast worden om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd.
19. Voordat de rechter toekomt aan het begroten van de betreffende kansschade, moet vastgesteld worden of er causaal verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de verloren gegane kans. Aan de toepassing van het kansschade-leerstuk gaat dus de vraag over causaal verband tussen de tekortkoming en het verlies van de kans vooraf. Pas na vaststelling van dat causaal verband komt de rechter toe aan begroting van de schade aan de hand van, kort gezegd, een schatting van de goede en kwade kansen. Daarnaast geldt dat slechts sprake kan zijn van het toepassen van kansschade indien het gaat om een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes.
20. Verzoekster heeft aan haar claim op kansschade ten grondslag gelegd dat, door het niet opleggen van een loonsanctie, de kans op een succesvolle re-integratie verloren is gegaan en daarmee ook haar kans op herstel en in dienst blijven bij haar werkgever tegen het volledige loon tot aan de pensioendatum.
21. Naar het oordeel van de rechtbank kan verzoekster geen aanspraken ontlenen aan het leerstuk van de kansschade. Daarvoor is immers vereist dat er sprake is van een causaal verband tussen het niet opleggen van de loonsanctie en het verlies van een (reële) kans op re-integratie, herstel en behoud van haar baan bij de eigen werkgever. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Daarbij wordt het volgende overwogen.
22. De arbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2021 beoordeeld of de re-integratie-activiteiten van de werkgever voldoende waren. In het rapport van 29 november 2021 heeft de arbeidsdeskundige haar bevindingen neergelegd. Zij heeft gerapporteerd dat uit eerdere rapportages blijkt dat verzoekster niet geschikt was voor het eigen werk, dit werk ook niet passend te maken was en er geen andere plaatsingsmogelijkheden in het eerste spoor waren. Er zijn door de arbeidsdeskundige geen tekortkomingen in het eerste spoor geconstateerd. Wel heeft de arbeidsdeskundige geconstateerd dat het tweede spoor vier maanden te laat is opgestart, waardoor er re-integratiekansen zijn gemist. Dit te laat opstarten van het tweede spoor is de reden geweest om te oordelen dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden.
23. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 29 november 2021 kan de rechtbank niet anders opmaken dan dat hervatting binnen het eigen werk en/of in ander werk bij de eigen werkgever geen reële optie was. Ook als de werkgever, na het opleggen van een loonsanctie, het tweede spoor verder had opgepakt, zou dit er hoogstwaarschijnlijk niet toe hebben geleid dat verzoekster in eigen of aangepast werk bij de eigen werkgever had kunnen hervatten. De re-integratie zou dan immers uitsluitend op het tweede spoor, dus werk bij een andere werkgever, zijn gericht. Nog daargelaten dat het zeer waarschijnlijk zou zijn geweest dat de werkgever na 4 maanden om verkorting van de loonsanctie had gevraagd en dit waarschijnlijk ook zou hebben gekregen nu de tekortkoming uitsluitend gelegen was in het te laat starten van het tweede spoor. De loonsanctie zou dan hooguit voor vijf maanden zijn geeffectueerd, waardoor de kans op hervatting in (eigen) werk nog minder reëel zou zijn geweest. Anders dan bij de loonschade, waarbij uitgegaan mag worden van de fictie dat de loonsanctie 52 weken zou doorlopen, is de rechtbank van oordeel dat bij het leerstuk van de kansschade ook de mogelijkheid van verkorting van de loonsanctie betrokken moet worden.
24. Uit het voorgaande volgt dat de kans dat verzoekster bij een opgelegde loonsanctie in eigen werk zou zijn hervat, zeer gering is. De enkele verwijzing van verzoekster naar een onderzoek van het UWV naar het effect van loonsancties op re-integratie is onvoldoende om hier anders over te oordelen.
Conclusie
30. Het UWV heeft de loonschade van verzoekster vastgesteld op € 3.488,79. Zoals uit alles wat hiervoor is overwogen blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de meerdere schade die door verzoekster wordt geclaimd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding zal toewijzen tot een bedrag van € 3.488,79.
31. Er bestaat geen aanleiding om het UWV te veroordelen tot het betalen van proceskosten en/of vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. Verzoekster heeft immers voorafgaand aan het indienen van haar schadeverzoek bij de rechtbank haar schade niet onderbouwd. Het UWV heeft die schade daarom destijds kunnen afwijzen. Nadat verzoekster haar geclaimde schade heeft onderbouwd, heeft het UWV erkend gehouden te zijn een schadevergoeding te betalen tot een bedrag van € 3.488,79. Zou verzoekster eerder met een onderbouwing zijn gekomen, dan had het UWV deze schade ook vergoed. Een uitspraak van de rechtbank daarover was dan niet nodig geweest. Ook voor zover verzoekster de brieven van het UWV waarin is gevraagd om een onderbouwing van haar schade niet heeft ontvangen, zou dit het oordeel niet anders maken. Zoals eerder al opgemerkt is het aan verzoekster om de geclaimde schade te onderbouwen. Een enkele niet onderbouwde stelling dat er schade is geleden, is onvoldoende. Gelet hierop dienen de proceskosten en het betaalde griffierecht voor rekening van verzoekster te blijven.
Dictum
De rechtbank;
wijst het schadeverzoek toe tot een bedrag van € 3.488,79;
wijst de gevorderde schade voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. mr. A.J.M. van Hees, griffier op 15 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
ECLI:NL:RBZWB:2021:4830
ECLI:NL:CRVB:2020:197
ECLI:NL:CRVB:2023:2421
ECLI:NL:PHR:2023:1202, overweging 4.47
ECLI:NL:HR:2012:BX7491, overweging 3.5.3
Zie ook ECLI:NL:PHR:2023:1202, overwegingen 4.49 t/m 4.51 en ECLI:NL:PHR:2018:1320, overwegingen 4.10 en 4.11
Vergelijk ECLI:NL:CRVB:2023:2421
ECLI:NL:CRVB:2020:197 en ECLI:NL:CRVB:2016:295