Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:2376
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,023 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/343
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats 1], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 december 2021.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende over het jaar 2020 een aanslag forensenbelasting opgelegd tot een bedrag van € 1.476,46 voor het ter beschikking hebben van de gemeubileerde woning [adres] te [plaats 2] naar een heffingsgrondslag van € 442.000.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, vergezeld door zijn broers [naam 1] en [naam 2]. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam 3].
Feiten
2. Belanghebbende en zijn twee broers hebben op 18 november 2016 het recht van erfpacht van de recreatiewoning [adres] te [plaats 2] overgenomen van hun ouders. Het aandeel van belanghebbende bedraagt 4/10. Belanghebbende heeft zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Schouwen-Duiveland.
2.1.
De recreatiewoning wordt door tussenkomst van [verhuurorganisatie] verhuurd aan derden. Hiertoe hebben belanghebbende en zijn broers met die verhuurorganisatie op 5 januari 2017 een bemiddelingsovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst mag een eigenaar de woning ten hoogste 90 dagen per jaar zelf gebruiken en staat de woning de resterende tijd ter beschikking voor verhuur aan derden. In het jaar 2020 is de recreatiewoning gedurende 73 dagen verhuurd geweest aan derden. Belanghebbende en zijn broers hebben (samen) de woning gedurende 98 dagen voor eigen gebruik gereserveerd en zij hebben de woning ook daadwerkelijk gebruikt.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2020 heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag forensenbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
5. De forensenbelasting dient ertoe om mensen die beschikken over een woning in een gemeente, maar geen ingezetene zijn van deze gemeente, mee te laten betalen aan voorzieningen in die gemeente. In de regelgeving van de gemeente Schouwen-Duiveland staat dat forensenbelasting wordt geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zichzelf of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
5.1.
Er geldt wel een uitzondering. Er mag geen aanslag forensenbelasting worden opgelegd aan een eigenaar die zijn woning (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur (a) als die eigenaar in het geheel geen gebruik maakte van zijn woning, anders dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken (de a-grond), of (b) als de som van het aantal dagen van eigen gebruik en van het aantal dagen waarop de woning niet werd gebruikt, maar waarop deze moet worden geacht door die eigenaar beschikbaar te zijn gehouden voor zich of zijn gezin, niet meer dan 90 dagen is (de b-grond).
Gronden belanghebbende
6. Belanghebbende voert aan dat hij en zijn broers met hun drie gezinnen gebruik maken van de recreatiewoning en daarom dient te worden uitgegaan van 90 dagen per gezin. Daartoe verwijst belanghebbende naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 september 2011. Ter zitting stelt belanghebbende dat hij in de veronderstelling was dat hij en zijn broers ieder onder de 90 dagen zaten. Doordat het reserveringssysteem van de verhuurorganisatie op een andere manier naar de dagen kijkt, komt het aantal dagen hoger uit. Belanghebbende beroept zich ook op de redelijkheid omdat hij en zijn broers door corona niet naar het buitenland op vakantie konden en verhuur aan buitenlandse huurders niet goed mogelijk was.
Is de aanslag forensenbelasting terecht opgelegd?
7. In de bemiddelingsovereenkomst is opgenomen dat een eigenaar de woning maximaal 90 dagen per jaar mag bewonen en dat [verhuurorganisatie] de rest van het jaar de woning kan verhuren. Deze overeenkomst is niet gevolgd in die zin dat de drie broers meer dan 90 dagen de woning voor zichzelf hebben gereserveerd. Voor de beoordeling van wat in dezen bepalend is, is niet alleen van belang wat in de schriftelijke overeenkomst staat, maar ook de uitvoering die belanghebbende daaraan heeft gegeven; die wijkt af van de bemiddelingsovereenkomst. De rechtbank gaat in zoverre dan ook voorbij aan de voorwaarden in die overeenkomst.
7.1.
De drie broers hebben de recreatiewoning in 2020 gedurende 292 (365 – 73) dagen ter beschikking gehouden. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de rechten van de twee andere broers (wat daarvan zij) heeft de recreatiewoning gedurende meer dan 90 dagen (meer dan 292:3) aan belanghebbende ter beschikking gestaan.
7.2.
De aanslag is daarom in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van de Verordening opgelegd, namelijk omdat op meer dan 90 dagen van het belastingjaar een gemeubileerde woning beschikbaar is gehouden. Aan dit belastbaar feit is voldaan. Daaruit volgt dat de heffingsambtenaar terecht een aanslag forensenbelasting aan belanghebbende voor het jaar 2020 heeft opgelegd. De feitelijke gang van zaken geeft geen aanleiding van de wettelijke bepalingen af te wijken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag forensenbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van W.M.C. Oomen, griffier, op 10 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 2, eerste lid, van de Verordening forensenbelasting Schouwen-Duiveland 2020 (de Verordening) en gelijkluidend in artikel 223 van de Gemeentewet
Zie het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4972
zie ECLI:NL:GHAMS:2011:BT2647