Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:2352
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,662 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/419342 FA RK 24-801
datum uitspraak: 8 april 2024
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.M.A. Leijser,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N.M. Lindhout-Schot.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 21 februari 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 22 maart 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Die procedure staat is geregistreerd onder kenmerk C/02/419341 FA RK 24-800. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderbijdrage) en vaststelling van een regeling voor de verdeling van de vakanties en feestdagen (zorgregeling) ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Feiten
2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- uit hun relatie is het volgende nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
Genoemd kind is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de zorgregeling en kinderbijdrage.
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, samengevat, te bepalen dat de man aan haar voor [minderjarige] met ingang van 4 juli 2023 een kinderbijdrage voldoet van € 159,= en met ingang van 1 januari 2024 een kinderbijdrage van € 152,=.
3.2.
De man verzoekt de door hem te betalen voorlopige kinderbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vast te stellen op € 159,= per maand.
Beoordeling
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. Ook heeft de vrouw voldoende belang bij haar vordering en kan van haar niet worden gevergd dat zij de eindbeslissing in de bodemprocedure afwacht.
4.3.
Na bespreking van de standpunten van partijen is de mondelinge behandeling voor korte tijd geschorst. Vervolgens hebben partijen medegedeeld dat zij in het kader van deze procedure overeenstemming hebben bereikt. Deze overeenstemming luidt als volgt: de man zal over de periode van juli 2023 tot en met december 2023 voor [minderjarige] een bedrag van € 100,= per maand, dus in totaal € 600,=, voldoen door storting van dit bedrag op de door de vrouw beheerde spaarrekening van [minderjarige] met [rekeningnummer] binnen twee weken na de mondelinge behandeling. Verder zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 januari 2024 een kinderbijdrage zal voldoen aan de vrouw (op haar bankrekening) van € 159,= per maand, waarbij de man de tot nu toe bestaande achterstand binnen één week na de datum van de mondelinge behandeling aan de vrouw zal betalen.
4.4.
De rechtbank komt deze overeenstemming niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat als na te melden zal worden beslist.
Dictum
De rechtbank bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:
dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, met ingang van 1 januari 2024 wordt vastgesteld op € 159,= (honderdnegenenvijftig euro) per maand, welk bedrag de man voor de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling dient te voldoen en over de reeds verstreken termijnen door voldoening van de achterstand binnen één week na de mondelinge behandeling;
dat de man over de maanden juli 2023 tot en met december 2023 een bedrag van € 600,= voldoet op de spaarrekening van de minderjarige met [rekeningnummer] door storting van dit bedrag binnen twee weken na de mondelinge behandeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 april 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.