Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-09
ECLI:NL:RBZWB:2024:2338
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,888 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/134 WIA
uitspraak van 9 april 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de
weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
1.1
Het UWV heeft met het besluit van 22 april 2022 (primair besluit) geweigerd per 7 maart 2022 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen.
Met het bestreden besluit van 6 december 2022 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het UWV is [naam] verschenen.
Beoordeling
2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Bij deze beoordeling is van belang of eiser medische beperkingen heeft en
of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te
verwerven.
3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 7 maart 2022.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2
Eiser is werkzaam geweest als chauffeur. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege knie- en rugklachten.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
4. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
4.1
De arts heeft gerapporteerd dat de ervaren belemmeringen deels overeenkomen met de kenmerken van diagnoses. Er is echter onvoldoende overeenkomst tussen de hoge ernst van de ervaren belemmeringen en de medisch aard van de ziekte. De bevindingen bij het lichamelijk onderzoek komen niet overeen met de observatie van de houdingwisselingen tijdens het gesprek. De arts neemt beperkingen aan bij fysieke omgevingseisen, dynamisch handelen en statische houdingen. De psychische klachten van eiser zijn aannemelijk. De mate van de psychische klachten is echter niet ernstig. Door het constant piekeren en het slaapprobleem wordt het cognitieve vermogen nadelig beïnvloed. De arts neemt daarom beperkingen aan in het persoonlijk en sociaal functioneren. Er bestaat geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Wel wordt een beperking aangenomen voor het werken in de nacht. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 maart 2022.
De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat geen aanleiding bestaat om eiser meer te beperken in persoonlijk en sociaal functioneren. Ook bestaat geen reden om eiser te beperken op verhoogd persoonlijk risico nu hij geen tramodol meer gebruikt. De verzekeringsarts b&b is van mening dat knie- en rugbeperkingen aanwezig zijn. De primaire arts heeft dat ook onderkend. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat het aannemelijk is dat eiser in een negatieve spiraal is terechtgekomen, maar de de-conditionering kan niet als uiting van ziekte worden beschouwd. Mede gelet op de ontvangen medische informatie moet eiser tot meer in staat worden geacht dan hij laat zien.
Volgens de verzekeringsarts b&b is er geen sprake van een urenbeperking, omdat vermoeidheidsklachten niet zijn waargenomen en niet worden genoemd in de medische informatie. De verzekeringsarts b&b is van mening dat de beperkingen van eiser niet zijn onderschat door de primaire arts.
4.2
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het medisch onderzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het onderzoek naar de psychische en lichamelijke problematiek is te beperkt van opzet en inhoud om de conclusie te kunnen trekken dat hij op bepaalde rubrieken geen beperking (meer) zou ondervinden. Eiser is van mening dat er geen sprake is van een subjectieve beleving van de klachten. Zijn klachten vormen een consistent geheel. Daarbij is het niet doorslaggevend aan welke ziekte of gebrek de klachten toe te rekenen zijn. De verzekeringsarts b&b had informatie moeten inwinnen bij de huisarts, fysiotherapeut en psychotherapeut. Eiser verzoekt om een onafhankelijk deskundige om advies te vragen. Verder heeft eiser nog opgemerkt dat zijn moeheidsklachten onderbelicht zijn gebleven. Het is onvoldoende inzichtelijk waarom geen urenbeperking is aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser medische gegevens overgelegd.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder rug-, knie- en psychische klachten. Ook had de verzekeringsarts b&b de beschikking over recente medische informatie van onder andere de orthopedisch chirurg, de fysiotherapeut, de huisarts en de psycholoog. Deze informatie in samenhang bezien met het eigen onderzoek van de arts en de verzekeringsarts b&b geeft een duidelijk beeld van de klachten en beperkingen die eiser heeft. De verzekeringsarts b&b heeft ook afdoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een urenbeperking. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hoeveelheid beschikbare medische informatie, het opvragen van nadere informatie niet noodzakelijk was. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten, zoals blijkt uit de beschikbare medische informatie, rekening gehouden. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de (verzekerings)artsen hebben aangenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze informatie, hoewel van een andere datum, feitelijk hetzelfde beeld geeft van de medische situatie van eiser op de datum in geding dan die al bekend was bij het UWV. Dit is ter zitting ook wel erkend door eiser. Met betrekking tot de informatie van [psycholoog] geldt daarnaast nog dat [psycholoog] eiser pas voor het eerst heeft gezien op 5 december 2023, zodat zijn conclusie over de belastbaarheid van eiser niet zondermeer van toepassing is op de datum in geding.
Niet gebleken is dat in de FML van 25 maart 2022 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt daarom niet. Omdat de rechtbank geen twijfels heeft aan de vastgestelde belastbaarheid wordt het verzoek om een onafhankelijke verzekeringsarts om advies te vragen, afgewezen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5.1
Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), administratief medewerker (Sbc-code 315133) en medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010).
5.2
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat er in de functie productiemedewerker industrie sprake is van een gedwongen houding en dat er boven schouderhoogte wordt gewerkt. Deze functie is daarom volgens eiser ongeschikt. Ook de functie medewerker tuinbouw is ongeschikt vanwege de combinatie van de verschillende belastende aspecten.
5.3
In de FML is opgenomen dat eiser niet kan werken in een gedwongen werkhouding (aspect 5.10). Bij de beoordeling of de functies geschikt zijn zal dus met dit aspect rekening moeten worden gehouden. Uit de functiebeschrijving van de functie productiemedewerker industrie blijkt dat er gewerkt wordt aan een werktafel in bureauformat. Dat aan een werktafel wordt gewerkt betekent niet automatisch dat er sprake is van een gedwongen werkhouding. De arbeidsdeskundige heeft over dit aspect overleg gehad met de arts, waarbij is toegelicht dat het met name gaat om rugbelastende houdingen zoals gebogen werken of gebogen of getordeerd actief zijn. Een zittende houding aan een werktafel is op zich geen probleem, aldus de arts.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 7 maart 2022. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding of een schadevergoeding (zoals door eiser verzocht in de vorm van wettelijke rente). Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 9 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.