Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:223
Strafrecht
Op tegenspraak
9,252 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummers: 02/085977-21 en ETS-I-2020001782 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 19 januari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 januari 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1) witwassen;
2) medeplegen van opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken dan wel aanwezig hebben van 4.978 gram hennep;
3) belediging van een politieambtenaar.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 1.
Met betrekking tot feit 2 is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Op basis van het dossier kan niet worden uitgesloten dat degene van wie verdachte de woning huurde de hennep in de woning waar verdachte verbleef heeft neergezet. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de zak met hennep daar stond en daarom moet vrijspraak volgen voor feit 2.
Met betrekking tot feit 3 is er wettig en overtuigend bewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Juridisch kader
In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald aan te duiden misdrijf en de in de tenlastelegging genoemde en onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten geldbedragen, dure merkkleding en een Rolex-horloge. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen in de rechtspraak is ontwikkeld en uitgekristalliseerd. Daarbij staat ter beoordeling of het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op grond van vast te stellen feiten en omstandigheden waardoor het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Vermoeden van witwassen
Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 30 maart 2021 werd verdachte aangehouden en werd de woning waarin hij verbleef doorzocht. Bij de aanhouding van verdachte werd een bedrag van € 3.900,- bij hem
aangetroffen. Verder werd in de woning een bedrag van in totaal € 53.400,- aangetroffen in een doos met uien. Daarnaast werd dure merkkleding en een Rolex-horloge in de woning aangetroffen, waarvan verdachte heeft verklaard dat deze van hem zijn. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte bleek er sprake te zijn van beperkte inkomsten.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer het vermoeden dat het aangetroffen geld en (het aanschafbedrag van) de dure merkkleding en het Rolex-horloge van enig misdrijf afkomstig zijn.
Verklaring van verdachte
Aangezien sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
De verklaringen van verdachte komen er in de kern op neer dat hij het tussen de uien aangetroffen geld voor iemand moest bewaren. Hij wil niet verklaren wie dat is. Voor het geldbedrag dat hij bij zich droeg, had hij zelf gewerkt. De dure merkkleding was van verdachte zelf, maar was volgens hem allemaal nep. Het Rolex-horloge heeft hij zelf gekocht, maar hij weet niet meer waar en ook niet meer hoe veel hij voor het horloge heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte over de herkomst van het geld, de dure merkkleding en het Rolex-horloge niet kunnen worden aangemerkt als concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen. Verdachte kan desgevraagd niet de naam noemen van degene van wie het geldbedrag in de doos met uien is en kan evenmin noemen waar en voor welke prijs hij het Rolex-horloge heeft gekocht. Uit onderzoek naar de kleding blijken dit originele producten te betreffen in plaats van nepzaken, zoals verdachte heeft verklaard. De verklaring van verdachte dat hij zelf heeft gewerkt voor het tijdens zijn aanhouding bij hem aangetroffen geldbedrag is in strijd met de beperkte inkomsten van verdachte. De verklaringen van verdachte kunnen op deze gronden dan ook niet worden aangemerkt als verklaringen die het vermoeden van witwassen opzij zetten.
Op grond van het vorenstaande kan het niet anders zijn dan dat het geld, de dure merkkleding en het Rolex-horloge, zoals opgenomen in de tenlastelegging, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan op de hoogte was.
De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen. Zij acht niet bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.
Feit 2
Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de gang van de woning waar verdachte verbleef zakken met in totaal 4.978 gram hennep zijn aangetroffen. De hennep zat verpakt in doorzichtige gripzakken.
Voor het antwoord op de vraag of verdachte daarmee opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad, is allereerst vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van die hennep, in ieder geval van de aanmerkelijke kans daarop. Daarnaast is vereist dat deze hennep zich in zijn machtssfeer bevond. Daarvoor is niet doorslaggevend aan wie die hennep toebehoort. 'Aanwezig hebben van hennep' in de zin van de Opiumwet vergt niet dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de hennep.
Verdachte heeft verklaard dat hij al ongeveer anderhalve maand in die woning verbleef. De hennep lag in doorzichtige zakken bij de voordeur. Daarnaast werden er in de woning goederen aangetroffen die bestemd waren voor de hennepteelt, zoals armaturen, transformators en koolstoffilters. Verdachte stond in de deuropening van de woning toen de politie arriveerde. In die situatie kan het naar het oordeel van de rechtbank niet zo zijn dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep. De hennep bevond zich ook in zijn machtssfeer nu verdachte in de woning leefde.
De rechtbank verwerpt het namens verdachte gevoerde verweer dat niet kan worden uitgesloten dat de hennep buiten medeweten van verdachte om, precies de nacht voor het aantreffen daarvan, bij de deur is neergelegd. Een dergelijke situatie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden nu zij hiervoor onvoldoende concrete steun ziet in het dossier.
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een fors geldbedrag. Door het witwassen heeft verdachte geld met een criminele herkomst aan het zicht van de overheid onttrokken. Door aan opbrengsten van misdrijven een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, heeft verdachte het plegen van strafbare feiten bevorderd, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers kunnen opleveren, mede omdat zij sterk verslavend zijn. Die gebruikers trachten hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen te bekostigen, waardoor de samenleving schade wordt berokkend.
Ook heeft verdachte een politieambtenaar beledigd. Dergelijk handelen getuigt van disrespect tegenover de betreffende politieambtenaar, terwijl zij bezig was met de uitoefening van haar werk.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van het strafblad van verdachte van
21 november 2023. Hieruit blijkt dat verdachte vaker voor witwassen en Opiumwet-feiten is veroordeeld, ook in het buitenland. Ook is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Een verdachte heeft recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn om te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Die termijn begint te lopen op het moment dat een verdachte in redelijkheid kan verwachten dat tegen hem of haar vervolging wordt ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met een einduitspraak van de rechtbank binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen. Het onderzoek tegen verdachte is aangevangen met een verhoor op 29 december 2020. Dat is de datum waarop de redelijke termijn is aangevangen. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zijn inmiddels ruim drie jaar verstreken, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden oplevert. De rechtbank zal daar in het voordeel van verdachte rekening mee houden en zal hierbij, zoals is bepaald door de Hoge Raad, handelen naar bevind van zaken.
De rechtbank stelt vast dat de feiten, gelet op hun aard en ernst, een gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank ziet echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, reden om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest, passend en geboden is en zal deze straf aan verdachte opleggen.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [naam] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor feit 3, maar daarop geen bedrag ingevuld.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat onduidelijk is wat de benadeelde partij van verdachte vordert en om dat duidelijk te krijgen de zaak zou moeten worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8Het beslag
8.1
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.
Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot de voorwerpen.
9De vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van tien maanden en tien dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank in Brugge (België) van 3 juni 2019 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat het dossier stukken bevat waaruit blijkt dat deze in België opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf is overgedragen aan Nederland. De rechtbank is dus bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
10De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: witwassen;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen, waarvan 180 (honderdtachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [naam] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
1) 3900 EUR (Omschrijving: G2318518);
3) 140 EUR (Omschrijving: G2318504);
4) 140 EUR (Omschrijving: G2318816);
5) 4 STK Bouwmateriaal (Omschrijving: G2320818, 3 slakkenhuizen en 1 filter);
6) 1 STK Filter (Omschrijving: G2329247);
7) 1 STK Jas (Omschrijving: 2318603, Moncler);
8) 1 STK Kleding (Omschrijving: G2318513, zwart, merk: Balmain);
9) 1 STK Jas (Omschrijving: G2318636, zwart, merk: Moncler);
10) 1 STK Schoeisel (Omschrijving: G2318512, rood, merk: louboutain);
11) 1 STK Broek (Omschrijving: G2318501, grijs, merk: balmain);
12) 1 STK Horloge, waarde 12.000 EUR, (Omschrijving: G2318522, goud, merk: rolex);
13) 1 STK Halsketting (Omschrijving: G2318346, 14 karaat gouden ketting met hennepplant, goud);
15) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: G2318827, Samsung);
16) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: G2318831, oppo);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 3 juni 2019 is opgelegd door de rechtbank in Brugge (België) in de zaak onder parketnummer ETS-I-2020001782 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden en 10 (tien) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Louwerse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 januari 2024.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummers: 02/085977-21 en ETS-I-2020001782 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 19 januari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 januari 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1) witwassen;
2) medeplegen van opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken dan wel aanwezig hebben van 4.978 gram hennep;
3) belediging van een politieambtenaar.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 1.
Met betrekking tot feit 2 is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Op basis van het dossier kan niet worden uitgesloten dat degene van wie verdachte de woning huurde de hennep in de woning waar verdachte verbleef heeft neergezet. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de zak met hennep daar stond en daarom moet vrijspraak volgen voor feit 2.
Met betrekking tot feit 3 is er wettig en overtuigend bewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Juridisch kader
In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald aan te duiden misdrijf en de in de tenlastelegging genoemde en onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten geldbedragen, dure merkkleding en een Rolex-horloge. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen in de rechtspraak is ontwikkeld en uitgekristalliseerd. Daarbij staat ter beoordeling of het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op grond van vast te stellen feiten en omstandigheden waardoor het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Vermoeden van witwassen
Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 30 maart 2021 werd verdachte aangehouden en werd de woning waarin hij verbleef doorzocht. Bij de aanhouding van verdachte werd een bedrag van € 3.900,- bij hem
aangetroffen. Verder werd in de woning een bedrag van in totaal € 53.400,- aangetroffen in een doos met uien. Daarnaast werd dure merkkleding en een Rolex-horloge in de woning aangetroffen, waarvan verdachte heeft verklaard dat deze van hem zijn. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte bleek er sprake te zijn van beperkte inkomsten.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer het vermoeden dat het aangetroffen geld en (het aanschafbedrag van) de dure merkkleding en het Rolex-horloge van enig misdrijf afkomstig zijn.
Verklaring van verdachte
Aangezien sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
De verklaringen van verdachte komen er in de kern op neer dat hij het tussen de uien aangetroffen geld voor iemand moest bewaren. Hij wil niet verklaren wie dat is. Voor het geldbedrag dat hij bij zich droeg, had hij zelf gewerkt. De dure merkkleding was van verdachte zelf, maar was volgens hem allemaal nep. Het Rolex-horloge heeft hij zelf gekocht, maar hij weet niet meer waar en ook niet meer hoe veel hij voor het horloge heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte over de herkomst van het geld, de dure merkkleding en het Rolex-horloge niet kunnen worden aangemerkt als concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen. Verdachte kan desgevraagd niet de naam noemen van degene van wie het geldbedrag in de doos met uien is en kan evenmin noemen waar en voor welke prijs hij het Rolex-horloge heeft gekocht. Uit onderzoek naar de kleding blijken dit originele producten te betreffen in plaats van nepzaken, zoals verdachte heeft verklaard. De verklaring van verdachte dat hij zelf heeft gewerkt voor het tijdens zijn aanhouding bij hem aangetroffen geldbedrag is in strijd met de beperkte inkomsten van verdachte. De verklaringen van verdachte kunnen op deze gronden dan ook niet worden aangemerkt als verklaringen die het vermoeden van witwassen opzij zetten.
Op grond van het vorenstaande kan het niet anders zijn dan dat het geld, de dure merkkleding en het Rolex-horloge, zoals opgenomen in de tenlastelegging, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan op de hoogte was.
De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen. Zij acht niet bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.
Feit 2
Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de gang van de woning waar verdachte verbleef zakken met in totaal 4.978 gram hennep zijn aangetroffen. De hennep zat verpakt in doorzichtige gripzakken.
Voor het antwoord op de vraag of verdachte daarmee opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad, is allereerst vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van die hennep, in ieder geval van de aanmerkelijke kans daarop. Daarnaast is vereist dat deze hennep zich in zijn machtssfeer bevond. Daarvoor is niet doorslaggevend aan wie die hennep toebehoort. 'Aanwezig hebben van hennep' in de zin van de Opiumwet vergt niet dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de hennep.
Verdachte heeft verklaard dat hij al ongeveer anderhalve maand in die woning verbleef. De hennep lag in doorzichtige zakken bij de voordeur. Daarnaast werden er in de woning goederen aangetroffen die bestemd waren voor de hennepteelt, zoals armaturen, transformators en koolstoffilters. Verdachte stond in de deuropening van de woning toen de politie arriveerde. In die situatie kan het naar het oordeel van de rechtbank niet zo zijn dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep. De hennep bevond zich ook in zijn machtssfeer nu verdachte in de woning leefde.
De rechtbank verwerpt het namens verdachte gevoerde verweer dat niet kan worden uitgesloten dat de hennep buiten medeweten van verdachte om, precies de nacht voor het aantreffen daarvan, bij de deur is neergelegd. Een dergelijke situatie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden nu zij hiervoor onvoldoende concrete steun ziet in het dossier.
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een fors geldbedrag. Door het witwassen heeft verdachte geld met een criminele herkomst aan het zicht van de overheid onttrokken. Door aan opbrengsten van misdrijven een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, heeft verdachte het plegen van strafbare feiten bevorderd, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers kunnen opleveren, mede omdat zij sterk verslavend zijn. Die gebruikers trachten hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen te bekostigen, waardoor de samenleving schade wordt berokkend.
Ook heeft verdachte een politieambtenaar beledigd. Dergelijk handelen getuigt van disrespect tegenover de betreffende politieambtenaar, terwijl zij bezig was met de uitoefening van haar werk.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van het strafblad van verdachte van
21 november 2023. Hieruit blijkt dat verdachte vaker voor witwassen en Opiumwet-feiten is veroordeeld, ook in het buitenland. Ook is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Een verdachte heeft recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn om te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Die termijn begint te lopen op het moment dat een verdachte in redelijkheid kan verwachten dat tegen hem of haar vervolging wordt ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met een einduitspraak van de rechtbank binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen. Het onderzoek tegen verdachte is aangevangen met een verhoor op 29 december 2020. Dat is de datum waarop de redelijke termijn is aangevangen. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zijn inmiddels ruim drie jaar verstreken, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden oplevert. De rechtbank zal daar in het voordeel van verdachte rekening mee houden en zal hierbij, zoals is bepaald door de Hoge Raad, handelen naar bevind van zaken.
De rechtbank stelt vast dat de feiten, gelet op hun aard en ernst, een gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank ziet echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, reden om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest, passend en geboden is en zal deze straf aan verdachte opleggen.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [naam] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor feit 3, maar daarop geen bedrag ingevuld.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat onduidelijk is wat de benadeelde partij van verdachte vordert en om dat duidelijk te krijgen de zaak zou moeten worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8Het beslag
8.1
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.
Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot de voorwerpen.
9De vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van tien maanden en tien dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank in Brugge (België) van 3 juni 2019 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat het dossier stukken bevat waaruit blijkt dat deze in België opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf is overgedragen aan Nederland. De rechtbank is dus bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
10De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: witwassen;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen, waarvan 180 (honderdtachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [naam] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
1) 3900 EUR (Omschrijving: G2318518);
3) 140 EUR (Omschrijving: G2318504);
4) 140 EUR (Omschrijving: G2318816);
5) 4 STK Bouwmateriaal (Omschrijving: G2320818, 3 slakkenhuizen en 1 filter);
6) 1 STK Filter (Omschrijving: G2329247);
7) 1 STK Jas (Omschrijving: 2318603, Moncler);
8) 1 STK Kleding (Omschrijving: G2318513, zwart, merk: Balmain);
9) 1 STK Jas (Omschrijving: G2318636, zwart, merk: Moncler);
10) 1 STK Schoeisel (Omschrijving: G2318512, rood, merk: louboutain);
11) 1 STK Broek (Omschrijving: G2318501, grijs, merk: balmain);
12) 1 STK Horloge, waarde 12.000 EUR, (Omschrijving: G2318522, goud, merk: rolex);
13) 1 STK Halsketting (Omschrijving: G2318346, 14 karaat gouden ketting met hennepplant, goud);
15) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: G2318827, Samsung);
16) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: G2318831, oppo);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 3 juni 2019 is opgelegd door de rechtbank in Brugge (België) in de zaak onder parketnummer ETS-I-2020001782 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden en 10 (tien) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Louwerse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 januari 2024.