Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2024:2205
Strafrecht
Raadkamer
1,485 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. P.D.M. van Oers advocaat te Roosendaal, (Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal),
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.536,34, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het aantekening mondeling vonnis van 20 juli 2023, waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de gewijzigde schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 15 maart 2023;
de telefonische en schriftelijke reactie van de advocaat van 19 maart 2023.
Het Openbaar Ministerie heeft op 15 maart 2024 haar aanvankelijk schriftelijke conclusie herzien, in die zin dat het verzoek kan worden toegewezen tot een bedrag ter hoogte van
€ 2.465,95 (vermindering van kosten voor jurisprudentieonderzoek), te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening dan wel behandeling van het verzoek.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de herziene schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie aan de advocaat van verzoeker gevraagd of verzoeker - wegens het geringe verschil tussen de verzochte vergoeding en het door het Openbaar Ministerie toewijsbaar geachte bedrag - akkoord gaat met een pro-formabehandeling, waarbij hij en verzoeker niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
De advocaat heeft naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van het Openbaar Ministerie bericht dat verzoeker zich verenigt met het standpunt van het Openbaar Ministerie en dat gelet op beide standpunten het verzoekschrift pro-forma kan worden behandeld.
De rechtbank heeft het verzoekschrift op 20 maart 2024 in openbare raadkamer behandeld, waarbij de officier van justitie mr. J.A. Castelijn is verschenen. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding van kosten rechtsbijstand kan worden toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 2.465,95, waarbij de uren die zien op jurisprudentieonderzoek in mindering zijn gebracht.
In beginsel mag van specialisten en ook jonge advocaten worden verwacht dat zij beschikken over de nodige algemene kennis op hun vakgebied en geen kosten voor bestudering van jurisprudentie in rekening brengen. Gelet op dit uitgangspunt en mede gelet op de omvang van het dossier en de beperkte complexiteit daarvan is de rechtbank van oordeel dat de tijd die thans voor de bestudering van jurisprudentie is geschreven bovenmatig is. Zij zal conform het standpunt van de officier van justitie deze uren dan ook in mindering brengen op de verzochte vergoeding en acht het verzoek toewijsbaar tot een bedrag van € 2.465,95.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 2.805,95, bestaande uit:
- € 2.465,95 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af
bepaalt dat een bedrag van € 2.805,95 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer]
ten name van Stichting Beheer Derdengelden Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten B.V., onder vermelding van “ [dossiernummer] /OM 530 Sv”.
Deze beslissing is op 2 april 2024 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).