Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:205
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,209 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/415388 / JE RK 23-1903
Datum uitspraak: 17 januari 2024
Nadere beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
locatie Amsterdam, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
betreffende
[de minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma mz]
,
de pleegmoeder en oma moederszijde (mz),
hierna te noemen: de oma mz,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
Het nadere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 november 2023, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- de briefrapportage van de GI van 11 januari 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 11 januari 2024.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 augustus 2023 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 15 augustus 2023 en tot 15 augustus 2024. Tevens is er ten aanzien van [de minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 15 augustus 2023 en tot 15 februari 2024.
2.3.
Op grond van die beschikking woont [de minderjarige] bij oma mz.
3Het verzoek
3.1
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
De GI heeft het verzoek tot het uithuisplaatsen van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden middels de briefrapportage d.d. 11 januari 2024 ingetrokken, omdat er thans geen signalen van acute onveiligheid worden gezien bij de oma mz, de oma mz meewerkt aan de hulpverlening en overplaatsingen van [de minderjarige] zoveel mogelijk beperkt moeten worden. Nu dit verzoek is ingetrokken, behoeft het verzoek geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.