Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:2011
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,564 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/372172 FA RK 20-2483
datum uitspraak: 25 maart 2024
nadere beschikking betreffende omgangsregeling
in de zaak van
[de man]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. K.M. van Wijngaarden,
en
[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.G.M. Baas.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 22 september 2023 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van mr. Baas van 12 januari 2024;
- de brief van mr. Van Wijngaarden van 13 februari 2024, met bijlage.
1.2. De behandeling van de zaak is voortgezet op de mondelinge behandeling van 18 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
2De nadere beoordeling
Omgangsregeling
2.1.
Bij voornoemde beschikking is door de rechtbank overwogen dat het in het belang van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, (hierna: [minderjarige] ) is dat voor partijen een behandeltraject bij GGZ Westelijk Noord-Brabant (“Niet [traject 1] ” en “ [traject 2] ”) wordt ingezet, naar aanleiding van het deskundigenrapport. Hierbij was het van belang dat beide partijen een doorverwijzing zouden vragen bij hun huisarts. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop en de voortgang van het behandeltraject bij de GGZ en de wijze waarop zij de zaak wensen voort te zetten. Iedere verder beslissing is aangehouden.
2.2.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling.
2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Onderhavige procedure loopt al sinds mei 2020. In de afgelopen jaren zijn er verschillende onderzoeken gelast en trajecten ingezet, zo is Veilig Thuis betrokken geweest, heeft de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek gedaan, is tweemaal Perspectief Herstelbemiddeling ingezet, is een uitgebreid deskundigenonderzoek gelast en is geprobeerd een traject op te starten bij de GGZ Westelijk Noord-Brabant (hierna: de GGZ). De vrouw heeft verder een kindercoach ingezet voor [minderjarige] , welk traject volgens haar positief is afgesloten. Ook heeft de vrouw naar aanleiding van het deskundigenrapport voor zichzelf hulpverlening ingezet om te werken aan haar trauma’s. Ondanks alle inzet en het maatwerk van zowel de rechtbank als verschillende professionals, instanties en een deskundige heeft dit niet geleid tot een verbetering van het vertrouwen tussen partijen en verandering van de dynamiek tussen hen, waardoor gewerkt kan worden aan een contactherstel tussen de man en [minderjarige] . Zoals op de mondelinge behandeling door de rechter is aangegeven kan de rechtbank niet eindeloos betrokken blijven bij partijen. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van partijen zelf om de juiste stappen te zetten. De vraag is dan ook wat nu nog van de rechtbank en andere instanties en professionals verwacht kan worden, alsmede of inzet van nog meer trajecten door de rechtbank en instanties op dit moment gaat leiden tot een contactherstel.
In het deskundigenrapport heeft de deskundige mr. drs. M. [deskundige] (hierna: de deskundige) aangegeven dat: “de dynamiek tussen ouders, het onderling wantrouwen en de (onbedoeld) heftige emoties die communicatie en gedragspatronen over en weer oproepen, vraagt om inzet van expertise op het juiste specialistische niveau, waarbij iedere ouder individueel gezien en gehoord wordt.” (pagina 170 van het deskundigenrapport). De deskundige heeft een voorstel gedaan voor een behandeltraject bij de GGZ waar het juiste specialistische niveau aanwezig is. Dit is echter niet van de grond gekomen. De vrouw geeft aan dat een doorverwijzing voor haar niet mogelijk is, omdat zij niet in de juiste regio woont. De man heeft eind december 2023 een intakegesprek gehad bij de GGZ. Aan de hand hiervan heeft de GGZ de conclusie getrokken dat het incident in 2019 op zichzelf staat en niet is ingebed van psychische klachten. Ook is aangegeven vanuit de GGZ dat de man geen hulpvraag heeft en dat er geen behandeling zal volgen. Namens de man is in de brief van 13 februari 2024 voorgesteld om de deskundige te vragen of zij kan interveniëren dan wel een ander passend traject van behandeling/begeleiding kan benoemen. De rechtbank ziet geen aanleiding de deskundige nogmaals te benaderen. Nog los van het feit dat hier kosten voor partijen aan verbonden zijn en de vraag is of zij deze kunnen voldoen, heeft de deskundige uitgebreid en zeer zorgvuldig onderzoek gedaan en een passend behandeltraject geadviseerd. Het is aan partijen zelf om er alles aan te doen om dit traject te volgen. Een interventie van de deskundige heeft geen zin zolang partijen niet zelf de nodige stappen zetten.
Verder heeft de man zich op de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [minderjarige] moet worden ingezet om de vrouw te dwingen mee te werken aan een contactherstel. De deskundige heeft hierover in haar rapport onder andere het volgende opgenomen: “Contactherstel door inzet van reguliere omgangsbegeleiding in een vrijwillig (jeugdhulp via gemeente) of gedwongen kader (kinderbeschermingsmaatregel) is in de huidige situatie vanuit de minderjarige bezien niet passend. De situatie tussen ouders is dermate geëscaleerd dat dergelijke oplossingen geen effect zullen hebben, omdat zij zich niet richten op het oplossen van het onderliggende probleem.” (pagina 170 van het deskundigenrapport) en: “Beide ouders lijden onder de situatie die is ontstaan, maar de oplossing ligt niet in het afdwingen van contactherstel indien er geen adequate hulpverlening van het juiste niveau voor beide ouders wordt geboden.” (pagina 174 van het deskundigenrapport). De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat de specialistische hulp die nodig is voor partijen en [minderjarige] niet kan worden ingezet middels een hulpverleningstraject in het (standaard) vrijwillig en gedwongen kader. De rechtbank zal daarom ook voorbij gaan aan dit standpunt van de man.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw in het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moet worden gedwongen mee te werken aan contactherstel, na het lezen van onder andere de hiervoor geciteerde passages, laat zien dat hij totaal geen inzicht heeft in wat in het belang is van [minderjarige] . Ook legt hij de verantwoordelijkheid voor het ontbreken van contact tussen hem en [minderjarige] hiermee grotendeels buiten zichzelf. Dit blijkt ook uit de door hem overgelegde brief van de GGZ, waarin staat dat hij geen hulpvraag heeft en de GGZ onder andere om die reden geen behandeling kan bieden. De man heeft verder op eerdere mondelinge behandelingen en bij de deskundige aangegeven dat hij als persoon veranderd is en te vertrouwen is. Echter, gebleken is dat hij momenteel weer in detentie zit, waar hij geen openheid van zaken over geeft, hij geen individuele hulpverlening heeft en hij niet van plan is die hulpverlening voor zichzelf in te zetten. De man dient te laten zien dat hij zijn leven daadwerkelijk gaat beteren, zich rustig kan houden, niet meer in detentie komt, zijn aandeel ziet in de huidige situatie en aan zichzelf werkt. Zolang de man dit niet doet, zal er geen vertrouwen ontstaan tussen partijen, kan ook niet gewerkt worden aan een contactherstel met [minderjarige] en acht de rechtbank omgang tussen de man en [minderjarige] niet in haar belang.
Dictum
De rechtbank
wijst het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling af;
stelt de kosten van de deskundige vast op € 8.000,=;
bepaalt dat de man een bedrag van € 2.000,=, voor de kosten van het deskundigenonderzoek, moet voldoen, welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak moet worden voldaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.