Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-14
ECLI:NL:RBZWB:2024:1910
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,264 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4831 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, college.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 september 2022 (bestreden besluit).
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens het college mr. V. van der Linden en [naam 1] .
Ter zitting is de rechtbank medegedeeld dat eiser op [datum] 2023 is overleden. Vervolgens is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om te laten weten of de erfgenamen van eiser de procedure willen voortzetten.
Op 30 januari 2024 heeft de gemachtigde aan de rechtbank laten weten dat de erven niet thuis geven en verzocht hieraan de gevolgen te verbinden die haar geraden voorkomen.
Ten slotte is het onderzoek gesloten om uitspraak te doen.
Beoordeling
1.1
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
2. Op [datum] 2023 is meneer [eiser] overleden.
Uit een afschrift van het boedelregister afkomstig van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat de twee (bekende) erfgenamen ( [naam 2] en [naam 3] ) de nalatenschap van eiser hebben verworpen.
Omvang geschil
3. Allereerst dient in deze zaak beoordeeld te worden of er nog sprake is van procesbelang, omdat eiser is overleden en de (bekende) erfgenamen de erfenis hebben verworpen.
Oordeel van de rechtbank
4.1
Het ontbreken van een erfgenaam of persoon die gemachtigd is om de procedure voort te zetten, brengt mee dat het processuele belang aan de beoordeling van het beroep is komen te ontvallen.
4.2
Uit een afschrift van het boedelregister afkomstig van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat de twee erfgenamen de nalatenschap van eiser hebben verworpen. Daarnaast volgt uit een brief van de gemachtigde van eiser dat de erven geen thuis geven op de vraag wat zij met de lopende beroepsprocedure aan willen, ook niet naar een daarop volgend rappel. Dat er nog andere erfgenamen zijn die in deze procedure aanspraak kunnen en willen maken op de eventueel toe te kennen bijzondere bijstand is gelet op de feiten en omstandigheden van onderhavige procedure niet aannemelijk. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om op grond van artikel 8:26, tweede lid, van de Awb in de Staatscourant te doen aankondigen dat deze procedure bij de rechtbank aanhangig was. Wegens gebrek aan procesbelang wordt het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 14 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:26, tweede lid
Indien de bestuursrechter vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan hij in de Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij hem aanhangig is. Naast de aankondiging in de Staatscourant kan ook een ander middel voor de aankondiging worden gebruikt.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1771.