Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:1885
Strafrecht
Raadkamer
777 tokens
Dictum
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-131093-23
Dictum
(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te Amsterdam, inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] feitelijk verblijfsadres:
[adres] , nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
Raadsman mr. R.M.G. Sussenbach.
Procedure
Op 14 maart 2024 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie en de raadsman gehoord. Verdachte heeft schriftelijk afstand gedaan van het recht te worden gehoord.
Beoordeling
Ten aanzien van verdachte bestaan ernstige bezwaren ten aanzien van drie moorden met een (automatisch) vuurwapen. Hij zit in voorlopige hechtenis op grond van de 12-jaars grond.
Thans verzoekt de raadsman van verdachte aan de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen ten einde een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten van 47 maanden.
De rechtbank heeft als vaste rechtspraak dat op grond van Europees recht een dergelijk verzoek als regel gehonoreerd wordt, tenzij er gegronde redenen zijn een dergelijk verzoek af te wijzen.
In dit verband wijst de rechtbank erop dat op de pro forma zitting van 29 februari 2024 een identiek verzoek is afgewezen, omdat de rechtbank (meervoudige kamer) meer duidelijkheid wilde hebben over het gevangenisregime. De rechtbank begrijpt dat de rechtbank (meervoudige kamer) geïnformeerd wilde worden over de vraag of verdachte tijdens de langdurige detentie mogelijk in aanmerking zou komen voor verlof, en zo ja wanneer. De rechtbank (meervoudige kamer) wilde niet dat het gevangenisregime uit gefaseerd zou worden, in die zin dat verdachte tijdens het gevangenisregime in vrijheid buiten de gevangenis zou komen (detentiefasering).
Op de zitting van 20 maart 2024 van de rechtbank heeft de raadsman als nieuwe informatie overgelegd dat verdachte tot 6 januari 2025 aan het gevangenisregime onderworpen zal zijn.
Deze nieuwe informatie is voor de rechtbank echter niet voldoende om te bepalen of in de periode tot 6 januari 2025 sprake zal zijn van enige detentiefasering. Daarmee heeft de raadsman thans niet voldoende informatie overgelegd om de zorgen van de rechtbank dat verdachte tijdens het gevangenisregime mogelijk in vrijheid buiten de gevangenis zou komen, weg te nemen.
In het bovenstaande ziet de rechtbank thans reden het verzoek tot schorsing af te wijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot schorsing af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 20 maart 2024 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. R.J.H. van der Linden en mr. D. Fontein, rechters,
in tegenwoordigheid van J.P.E. Jacet, griffier.