Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:1863
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,552 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/404581 / FA RK 22-5759
Datum uitspraak: 19 maart 2024
Nadere beschikking van de meervoudige kamer over de beëindiging van het gezag
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te ’s-Gravenhage,
[de pleegouders]
,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1Het nader procesverloop
1.1
Het nader verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 28 maart 2023 en de daarin vermelde stukken;
- de rapportage van het extra onderzoek van de Raad van 6 november 2023, ontvangen door de rechtbank op 7 november 2023;
- de F9-formulieren van 17 november 2023 en 15 december 2023 en de e-mail van 15 februari 2024 van mr. Van Haeften;
- de e-mail van de Raad van 20 februari 2024;
- de e-mails van de griffier van de rechtbank aan mr. Van Haeften, de Raad en de GI van 20 februari 2024.
2De nadere beoordeling
2.1
Aan de orde is het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
2.2
Bij beschikking van 28 maart 2023 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van het verzoek van de Raad aangehouden tot 15 november 2023 Pro Forma in afwachting van de aanvullende rapportage van de Raad en de reactie daarop van de advocaat van de moeder, de GI en de pleegouders. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de moeder na de vorige mondelinge behandeling heeft aangegeven niet meer achter het verzoek van de Raad te staan, omdat zij aan haar verslavingsproblemen wil werken, haar leven een positief vervolg wil geven en in de toekomst zelf voor [minderjarige] wil zorgen. De moeder verbleef op dat moment in de PI in afwachting van de start van haar klinische behandeling. Gezien deze omstandigheden en het gegeven dat de Raad heeft aangegeven dat de regelzaken rondom het ouderlijk gezag (nog) geen frustratie opleveren, heeft de rechtbank overwogen dat eerst bekeken dient te worden of er andere, minder verstrekkende mogelijkheden zijn dan beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] .
2.3
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 september 2023 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zijn verlengd tot 29 september 2024.
2.4
In de aanvullende rapportage van de Raad staat aangegeven dat de Raad het verzoek handhaaft. De moeder verblijft nog steeds in de PI. [minderjarige] heeft viermaal via beeldbellen contact met de moeder gehad. Zij is nog te jong om te begrijpen dat het haar moeder is, maar het is prettig voor de moeder om in ieder geval dit contact te kunnen hebben. [minderjarige] heeft tevens contact gehad met haar halfzus, halfbroertjes en tante. De moeder heeft aangegeven weer achter het verzoek van de Raad te staan. De moeder is zich ervan bewust dat zij zich de komende jaren moet gaan richten op haar eigen herstel en behandeling. Zij heeft aangegeven daarom niet bezig te kunnen zijn met mogelijke gezagsbeslissingen over [minderjarige] . Zij wil zich focussen op het contact met haar. Zij is tevreden over de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor vakantie van [minderjarige] naar Turkije met de pleegouders, omdat zij dit te ver vond en zij dit graag zelf met [minderjarige] wil doen. De Raad vraagt zich af of de moeder dan voldoende in staat is in het belang van [minderjarige] te denken. Het contact tussen de GI en de moeder verloopt wisselend; de ene keer is het constructief en de andere keer vervalt de moeder in verwijten. Het lukt de moeder dan niet vanuit het belang van [minderjarige] te denken. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat dit voor duidelijkheid, rust, zekerheid en stabiliteit voor [minderjarige] zal zorgen. De moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen door haar forse (verslavings)problematiek, het verblijf in de PI c.q. een behandelsetting (onder de ISD-maatregel) en doordat de moeder [minderjarige] niet kan bieden wat zij nodig heeft. Daarnaast woont [minderjarige] al sinds haar geboorte bij de pleegouders. Het is niet in het belang van [minderjarige] om deze (hechtings)band met pleegouders te doorbreken.
2.5
De advocaat van de moeder heeft per e-mail van 15 februari 2024 aangegeven dat de moeder alsnog kan instemmen met beëindiging van haar gezag en dat een nadere mondelinge behandeling daarom niet nodig is.
2.6
De Raad heeft daaropvolgend aangegeven het verzoek te handhaven en dat er, gezien het standpunt van de moeder, ook vanuit de Raad geen behoefte is aan een nadere mondelinge behandeling. Ook de gezinsvoogd van de GI en de pleegouders hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling.
2.7
De rechtbank heeft aan partijen bericht dat de geplande mondelinge behandeling van 22 februari 2024 niet doorgaat en dat de zaak verder schriftelijk zal worden afgedaan.
2.8
In de beschikking van 28 maart 2023 heeft de rechtbank reeds overwogen dat de moeder kampt met harddrugsverslaving en psychiatrische problemen. [minderjarige] is direct na haar geboorte in het pleeggezin geplaatst. [minderjarige] verblijft sindsdien bij de pleegouders. De moeder heeft als veelpleger een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd gekregen. In dat kader verblijft zij in de PI en is zij in afwachting van haar klinische behandeling.
2.9
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals reeds aangegeven heeft de Raad nogmaals naar de situatie van de moeder gekeken. Uit het aanvullende onderzoek door de Raad is (wederom) gebleken dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Zoals door de moeder ook zelf aangegeven, moet zij zich in de komende jaren richten op haar eigen herstel en behandeling. Het is bewonderingswaardig te noemen dat de moeder inziet dat zij daardoor onvoldoende in staat is de nodige aandacht te kunnen hebben voor gezagsbeslissingen over [minderjarige] . Blijkens artikel 1:247, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) houdt het ouderlijke gezag een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind te nemen. Om invulling te kunnen geven aan het gezag moet een ouder betrokken zijn bij het leven van het kind, bekend zijn met zijn ontwikkeling en weten wat er in de minderjarige omgaat. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte bij de pleegouders.
Dictum
De rechtbank:
3.1
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1983 te [geboorteplaats 2] , over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
3.2
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige Stichting Jeugdbescherming Brabant;
3.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024 door mr. De Graaf, mr. Jansen, mr. Sumner in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.