Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:1854
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
839 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2522 WET
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.S.W. van Vossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, het college.
Inleiding
1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 11 januari 2024 dat ziet op het afwijzen van zijn handhavingsverzoek. Verzoeker heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van een voetbalkooi gelegen in de directe nabijheid van zijn woning. Vanwege de voortdurende overlast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
3. Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben bij het verzoek om voorlopige voorziening omdat sprake is van afwijzing van zijn handhavingsverzoek in combinatie met voortdurende overlast die in het voorjaar en in de zomer alleen maar zal toenemen.
4. Het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat het college handhavend moet optreden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarnaast zal het schorsen van het bestreden besluit – bestaande uit een weigering om handhavend op te treden – niet tot gevolg hebben dat het gebruik van de voetbalkooi zal worden gestaakt. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening.
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 19 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.