Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:1823
Strafrecht
Raadkamer
1,150 tokens
Dictum
in de zaak:[beslagene]geboren op [geboortedag 1] 1967wonende te [woonadres]hierna te noemen: beslagene
[klaagster]
geboren op [geboortedag 2] 1971wonende te [woonadres]hierna te noemen: klaagster
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 11 januari 2023 ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (hierna te noemen: EOB) uit België jegens [beslagene] in beslag is genomen: een geldbedrag van € 500,00 en een geldbedrag van € 5.000,- (hierna te noemen: het geldbedrag)
het klaagschrift, ingediend op 12 januari 2024 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 26 februari 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. C.P.G. Tax, mr. W. van Nunen als gemachtigd raadsvrouw van klaagster en [beslagene] als beslagene.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat het geldbedrag ter hoogte van € 5.500,- in beslag is onder [beslagene] en dit geldbedrag aantoonbaar toebehoort aan [klaagster] . Nu na politieverhoor door de Nederlandse en Belgische politie is gebleken dat [beslagene] en [klaagster] zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten verzoeken zij om het geldbedrag ten spoedigste terug te geven. In raadkamer heeft de beslagene hieraan toegevoegd dat het geldbedrag aan klaagster moet worden teruggegeven. Hiertoe voert de beslagene aan dat klaagster namens hem op 17 januari 2023 al een klaagschrift bij de rechtbank heeft ingediend en het geldbedrag was bestemd voor de aanschaf van een invalidebus. Beslagene heeft ter onderbouwing een afschrift het eerder ingediende klaagschrift aan de rechtbank overgelegd. De raadsvrouw refereert zich namens klaagster aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie refereert zich aan de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Op grond van artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering moet een klaagschrift tegen de beslaglegging ter uitvoering van een EOB, binnen 14 dagen na de kennisgeving van de inbeslagname van een goed worden ingediend.
Op 11 januari 2023 heeft er in het kader van een EOB op verzoek van de Belgische autoriteiten een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van beslagene. Beslagene was tijdens deze doorzoeking aanwezig en is gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift binnen 14 dagen. Hierbij is aan beslagene een brief ‘Kennisgeving beklagrecht’ uitgereikt. Op 26 januari 2023 is geconstateerd dat er geen klaagschrift ten aanzien van de inbeslagname ter uitvoering van de EOB was ingediend en is het geldbedrag aan de Belgische autoriteiten overgedragen.
De rechtbank stelt vast dat het beslag gelegd ter uitvoering van een EOB op verzoek van de Belgische autoriteiten reeds is geëindigd met het overdragen van het geldbedrag aan België. Klaagster is derhalve niet-ontvankelijk in haar beklag. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat niet-ontvankelijkheid van klaagster ook volgt uit het feit dat het klaagschrift (veel) te laat is ingediend.
Dictum
De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is op 11 maart 2024 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).