Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:1814
Strafrecht
Raadkamer
1,233 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. C.G.J.E. Lut op het adres Paradijslaan 3, 5611 KM Eindhoven
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 4.355,18 voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 11 augustus 2022;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 26 februari 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. C.P.G. Tax en mr. C.G.J.E. Lut als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker is uitgenodigd voor een politieverhoor op 9 juni 2022. Verzoeker heeft voorafgaand aan dit verhoor al om rechtsbijstand verzocht omdat hij op de hoogte was van het aankomende verhoor en verzoeker het plaatsvinden hiervan wilde bespoedigen. De strafzaak jegens verzoeker is middels een sepot geëindigd op 11 augustus 2022. Verzoeker heeft kosten van rechtsbijstand moeten maken ter hoogte van 4.355,18 euro. Te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavige verzoekschrift in raadkamer. Verzoeker verzoekt de rechtbank zijn verzoekschrift toe te wijzen.
De officier van justitie refereert zich aan de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 4.355,18 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 5.035,18, bestaande uit:
- € 4.355,18 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 5.035,18 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] , ten name van Stichting Beheer Derdengelden Koppen & Lut Advocaten, onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is op 28 februari 2024 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).