Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:1726
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,522 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 10762127 \ MB VERZ 23-564
CJIB-nummer: 3062 5422 5110 8912
uitspraakdatum: 12 februari 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2024 Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden op 10 juni 2022 om 17:08 uur in Breda.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene geeft aan dat hij de scooter niet meer kon gebruiken sinds februari 2022. De scooter zou alleen in een berging hebben gestaan en hierop is niet gereden. Betrokkene geeft aan per 12 mei 2022 de verzekering op te hebben gezegd, omdat hij er niet meer mee reed. Het was hem onvoldoende duidelijk dat de scooter geschorst of verkocht diende te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het voertuig heeft van 12 oktober 2021 tot 16 augustus 2022 op naam van betrokkene gestaan. Op 10 juni 2022 is geconstateerd dat het voertuig niet verzekerd was. Uit een aanvullend stuk van het RDW, overlegd ter zitting door de zittingsvertegenwoordiger, blijkt dat het voertuig ook op de laatste dag voor het overgaan van de tenaamstelling, op 15 augustus 2022, nog steeds niet was verzekerd of geschorst. Betrokkene heeft dus ook niet alles in werking gesteld om na de boete het voertuig alsnog te verzekeren of te schorsen. Bovendien heeft betrokkene geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig niet meer kon worden gebruikt. Betrokkene heeft dit dus onvoldoende onderbouwd. Inhoudelijk is het beroep ongegrond, echter gelet op de schending van de hoorplicht verzoekt de zittingsvertegenwoordiger om de boete met 25% te matigen.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Op 10 juni 2022 was het voertuig niet verzekerd en uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat deze ook op 15 augustus 2022 nog steeds niet was verzekerd of geschorst. Indien betrokkene stelt dat het voertuig niet langer bruikbaar was om op te rijden, had hij dit moeten onderbouwen. Het is onvoldoende gebleken dat het voertuig niet langer bruikbaar zou zijn geweest en dit kan dus niet worden vastgesteld. De boete is dus terecht opgelegd.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
‒ verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 277,50 plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 92,50 dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. C.A. Lequin, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.