Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:1706
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,129 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10394282 \ MB VERZ 23-123
CJIB-nummer : 1062 5422 4964 7635
uitspraakdatum : 12 februari 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : Appjection B.V.
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op 28 april 2022 om 19:08 uur op de Houtmarkt in Breda.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Althans dat de gedraging is verricht door een huurder van de personenauto en derhalve niet door [betrokkene] B.V. Op grond van artikel 8 sub b Wahv dient de beslissing van de officier van justitie te worden vernietigd, aangezien betrokkene heeft aangetoond dat de personenauto destijds was verhuurd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de huurovereenkomst, de invoice die is toegezonden, is voldaan aan artikel 8 Wahv. Het voertuig was destijds verhuurd. In de administratieve fase is echter de verkeerde overeenkomst verstuurd. De boete is daarom niet eerder door de officier van justitie vernietigd. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt derhalve om geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de fase van het administratieve beroep. Er is voor de gemachtigde immer voldoende gelegenheid geweest om tijdens die eerdere fase de juiste overeenkomst te overleggen, waardoor de boete zou zijn vernietigd en de proceskosten alleen voor die fase zouden zijn toegekend.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene terecht een beroep doet op artikel 8 Wahv. Daarbij is van belang dat de gemachtigde in de kantonfase de juiste stukken heeft overlegd. Uit de overlegde stukken blijkt dat de personenauto destijds was verhuurd. Dit betekent dat de boete ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen voor het indienen van het beroepschrift, te weten 1 punt x gewicht 0,25 x € 875,- = € 218,75.
De proceskostenvergoeding wordt beperkt tot de kantonfase, nu in de administratieve beroepsfase niet de juiste stukken zijn overgelegd door de gemachtigde. Dit komt voor rekening en risico van betrokkene en de gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. C.A. Lequin, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: