Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:1682
Strafrecht
Op tegenspraak
3,370 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-224273-23
vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ( [land] ),
ingeschreven op het [woonadres] ,
raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 februari 2024, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat hij op 5 september 2023 brand heeft gesticht in zijn woning en dat daardoor:
gevaar ontstond voor die woning en de woningen in de buurt ervan,
levensgevaar bestond voor de bewoners van die woning en van de woningen in de buurt ervan,
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bestond voor de bewoners van die woning en van de woningen in de buurt ervan.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan. De bevindingen van het forensisch onderzoek, meer specifiek de plaatsen waar ontbrandbare stoffen zijn aangetroffen, komen overeen met de verklaring van [getuige 1] . Zij heeft 112 gebeld en aangekondigd dat verdachte bezig was benzine in de woning te sprenkelen, terwijl zij naar de woning van een vriendin liep. Deze vriendin heeft verklaard dat [getuige 1] aan kwam lopen terwijl ze 112 aan het bellen was. Verder past de tijdlijn bij de verklaring van [getuige 1] . De verklaring van verdachte zelf past niet in het scenario dat zijn vrouw de dader zou zijn. De verklaring van verdachte dat hij niet de dader is acht de officier van justitie gelet op deze bewijsmiddelen niet geloofwaardig.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. De stelling van de officier van justitie dat de tijdlijn past bij de verklaring van [getuige 1] klopt niet. Op het moment dat zij naar 112 belde stond verdachte in het park te praten met [getuige 2] . Verder worden de uitspraken van [getuige 1] over de psychische problemen van verdachte niet ondersteund door de uitkomsten van het psychologisch onderzoek door [psycholoog] . De uitlatingen en gedragingen van verdachte bij zijn aanhouding en in zijn eerste verhoor zijn ook verklaarbaar in het scenario dat niet hij degene is geweest die de brand heeft gesticht. De verklaring van verdachte dat niet hij de dader is kan niet zonder meer als ongeloofwaardig ter zijde worden geschoven.
Gelet op het voorgaande is door de verdediging vrijspraak bepleit.
4.3
Beoordeling
Op 5 september 2023 is rond kwart voor negen ‘s ochtends uur brand uitgebroken in de woning van verdachte en zijn vrouw, [getuige 1] .
[getuige 1] heeft verklaard dat zij die ochtend ruzie hadden gehad en dat verdachte daarna naar het tankstation is gegaan met een jerrycan en daar benzine heeft gekocht. Hij kwam volgens haar tien tot vijftien minuten later terug. Hij sprenkelde vervolgens de inhoud van de jerrycan in de woonkamer. Ze is toen naar boven gelopen om een broek aan te trekken. Hij liep achter haar aan en is beneden op de grond in de vloeistof gevallen. Hij liep daarna achter haar aan naar boven. Ze zag dat verdachte boven ook vloeistof sprenkelde, ook op het bed. Ze is toen naar buiten gegaan en heeft 112 gebeld, terwijl ze naar een vriendin liep. Toen [getuige 1] samen met de vriendin terugliep naar de woning zag ze dat die in brand stond. Zowel in het telefoongesprek met 112 als tegenover de politie heeft zij verklaard dat verdachte psychische problemen heeft. Hij is achterdochtig, ziet dingen die er niet zijn en is onder behandeling van een psycholoog, aldus [getuige 1] .
Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad ’s ochtends met een jerrycan naar het tankstation in de buurt is gereden om benzine te kopen. Zijn vrouw had daarvoor al de woning verlaten om naar een vriendin te gaan. Toen hij thuiskwam heeft hij een paar druppels benzine op een deel van de vloer in de woonkamer gesprenkeld, samen met laminaatreiniger en wasverzachter om de vloer grondig te reinigen. Hij wilde op dat deel van de vloer een onderdeel van zijn auto wrappen. Omdat het daarna in de woning stonk naar benzine en de geur van huisdieren heeft hij een geurwaxinelichtje aangestoken en in een glazen houder op de eettafel gezet. Daarna is hij de hond gaan uitlaten. Hij is vertrokken via de serredeur. Hij heeft die deur opengelaten zodat de kat naar buiten kon. Hij is naar het [park] gelopen waar hij zijn vriend [getuige 2] tegen kwam. Ze hebben even gepraat. Ze spraken af dat [getuige 2] verdachte later die dag zou komen helpen met het wrappen. Daarna is verdachte naar huis gelopen. Toen hij bij zijn woning kwam zag hij dat die in brand stond en was de politie al ter plaatse. De deur van de serre was dicht. Hij werd aangehouden om 09:54 uur.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de volgende handelingen/gebeurtenissen op de volgende tijdstippen plaatsvonden:
09:29 uur – via de Ringdeurbelcamera van de buren is te zien dat verdachte zijn woning verlaat via de voordeur met een rode jerrycan in zijn hand.
09:31 uur – pintransactie bij [tankstation] , waarbij € 11,51 van de gezamenlijke bankrekening van verdachte en zijn vrouw is afgeschreven. Uit het onderzoek blijkt dat een autorit van de woning van verdachte naar het tankstation één minuut duurt.
09:41- 09:42 uur – [getuige 1] belt naar 112 en meldt dat haar man het huis vol benzine sprenkelt.
09:47 uur – de politie is via de Ringdeurbelcamera van de buren zichtbaar bij de woning van verdachte.
09:54 uur – verdachte is aangehouden.
Kortgezegd is de situatie zo dat [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte de brand in de woning heeft gesticht, en dat verdachte heeft verklaard dat zijn vrouw het moet zijn geweest omdat hij het zelf niet was.
De officier van justitie heeft de verklaring van [getuige 1] en haar 112-melding als uitgangspunt genomen en bezien of de diverse onderzoeksresultaten passen bij die verklaring. Hij is tot de conclusie gekomen dat dat zo is.
De rechtbank overweegt dat het enige bewijs dat rechtstreeks verdachte aanwijst als dader, te weten de getuigenverklaring [getuige 1] en haar 112-melding, afkomstig is uit één bron: [getuige 1] . Haar verklaringen tegenover de politie en de 112-medewerker bevatten naar het oordeel van de rechtbank echter elementen die niet zijn te rijmen met de rest van het dossier. Ook ziet de rechtbank onregelmatigheden in de tijdlijn die voortvloeit uit het tijdstip van de 112-melding.
De verklaring van [getuige 1]
heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte in de woning in de vloeistof was gevallen die hij had gesprenkeld. Zij heeft dit daarna nog herhaald in haar schriftelijke slachtofferverklaring.
Dat zou betekenen dat de kleding van verdachte naar benzine moet hebben geroken toen hij de hond ging uitlaten. [getuige 2] is gevraagd of hij iets bijzonders zag aan de kleding van verdachte toen hij hem tegenkwam in het park. [getuige 2] heeft verklaard dat hij niets bijzonders zag. Het lijkt aannemelijk dat [getuige 2] hierover zou hebben verklaard als hij een benzinelucht had geroken, terwijl de woning van verdachte daarna in brand bleek te staan.
Verder hebben de verbalisanten die verdachte hebben aangehouden en die vanwege de worsteling met verdachte bij zijn aanhouding heel dichtbij hem zijn geweest, in hun processen-verbaal van bevindingen niets opgemerkt over een benzinegeur aan de kleding van verdachte. Het ligt voor de hand dat, als dat zo was geweest, zij in de processen-verbaal van bevindingen zouden hebben opgenomen dat de persoon die volgens hen kon worden aangemerkt als verdachte van de brandstichting naar benzine rook.
Dit onderdeel van de verklaring van [getuige 1] wordt derhalve niet bevestigd door personen die de benzinegeur aan de kleding van verdachte hadden kunnen ruiken.
[getuige 1] heeft voorts tegenover de politie verklaard dat toen verdachte achter haar aan liep naar boven hij ook daar benzine had gesprenkeld, ook op het bed. Als [getuige 1] naar boven is gelopen om een broek aan te doen, zou ze naar hun slaapkamer gegaan zijn, aldus verdachte ter terechtzitting. Deze slaapkamer ligt volgens zijn verklaring op de eerste verdieping. Uit het forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat er op de slaapkamers op de eerste verdieping geen ontbrandbare stoffen zijn aangetroffen. Wel op zolder, maar daar zou [getuige 1] haar broek niet aangedaan hebben. De verklaring van [getuige 1] dat verdachte benzine heeft gesprenkeld op het bed in de slaapkamer waar zij haar broek aandeed komt dan ook niet overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek.
Verder heeft [getuige 1] tijdens het 112-gesprek en in haar verhoor bij de politie verklaard dat verdachte psychische problemen heeft, dat hij onder behandeling is van een psycholoog, dat hij achterdochtig is en dat hij dingen ziet die er niet zijn. Zij heeft bij het maken van deze opmerkingen over de psyche van verdachte een verband gelegd met de brandstichting.
Verdachte is in het kader van deze strafzaak onderzocht door [psycholoog] .
In het rapport over dit onderzoek zijn opgenomen de journaalaantekeningen van de huisartsenpraktijk van verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte vanaf
13 januari 2023 gesprekken heeft gevoerd met de praktijkondersteuner van de huisartsenpraktijk naar aanleiding van stemmingsklachten na ontslag en daarop volgende lichamelijke klachten. Vanaf 26 juni 2023 wordt in de aantekeningen opgemerkt dat is gesproken over de relatie met partner. In de laatste aantekening daterend van 23 augustus 2023 staat dat verdachte zich heeft herpakt.
Ook [psycholoog] heeft na zijn onderzoek geconcludeerd dat geen psychische problematiek is geconstateerd die in relatie zou kunnen staan tot het tenlastegelegde.
Deze bevindingen van de psycholoog en de praktijkondersteuner van de huisartsenpraktijk over de psyche van verdachte komen niet overeen met de verklaringen van [getuige 1] hierover.
De tijdlijn
De hierboven genoemde tijdstippen en bijbehorende gebeurtenissen zijn tijdstippen die op basis van het dossier vast staan.
Als de verklaring van [getuige 1] zou worden gevolgd dan zou dat vanaf haar 112-melding tot de volgende tijdlijn leiden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] tegenover de politie en haar 112-melding waarbij zij verdachte aanwijst als de brandstichter onvoldoende betrouwbaar, zodat de rechtbank deze niet voor het bewijs zal gebruiken.
Conclusie
Gelet op de onderzoeksresultaten van het forensisch onderzoek in de woning gaat de rechtbank er vanuit dat de brand is aangestoken. De overige bewijsmiddelen in het dossier bevatten echter geen aanwijzing wie de brand kan hebben gesticht. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht, zodat de rechtbank hem hiervan zal vrijspreken.
5De benadeelde partij
De benadeelde partij [getuige 1] vordert een schadevergoeding van € 77.298,51 in verband met geleden materiële en immateriële schade, en een proceskostenvergoeding van
€ 3459,-.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [getuige 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [getuige 1] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.B. Scheltema Beduin, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. M.E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 maart 2024.
Mr. De Boer is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.