Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:1529
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,175 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1751 VV
uitspraak van 8 maart 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 26 januari 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 16 december 2023, (bestreden besluit) inzake de geweigerde omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker].
Hij heeft op 22 februari 2024 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft op 19 maart 2023 zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] ingediend. Bij het primaire besluit van 12 juli 2023 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, in hoofdzaak omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ alleen grondgebonden woningen toelaat. Verzoeker heeft de woning illegaal gesplitst en de woonruimte op de tweede en derde verdieping (nr. [huisnummer]) verhuurd. Zelf wil hij in de verbouwde garage op de benedenverdieping (nr. [huisnummer]) gaan wonen maar door de geweigerde splitsingsvergunning is dat niet toegestaan.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep tegen het bestreden besluit aanhangig is, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een uitspraak van de rechtbank op het beroep. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandige spoedeisendheid bij een te treffen voorlopige voorziening en het moet niet alleen gaan om bespoediging van de afdoening van het beroep.
4. Desgevraagd heeft verzoeker aangegeven dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat hij gezondheidsklachten heeft en momenteel voor woonruimte is aangewezen op vrienden, familie of kennissen, hetgeen de nodige problemen met zich brengt.
4.1
De voorzieningenrechter overweegt dat het bestreden besluit strekt tot weigering van een omgevingsvergunning. Indien de voorzieningenrechter met verzoeker van oordeel zou zijn dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, dan betekent dat niet dat de splitsing gelegaliseerd is. Verzoeker heeft geen baat bij schorsing van het bestreden besluit. In feite is verzoeker slechts gebaat bij het treffen van een voorlopige voorziening waarbij hij geacht wordt te beschikken over de gevraagde omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning. Dit is echter een te verstrekkende voorziening. Daar komt bij dat de aanvraag van verzoeker dateert van 19 maart 2023 zodat aangenomen moet worden dat hij zich al bijna een jaar weet te redden met woonruimte elders. Niet valt in te zien dat hij op deze wijze niet de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep kan afwachten.
5. Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen omdat geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier R.P. Broeders, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.