Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:1414
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,433 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/418014 / JE RK 24-62
Datum uitspraak: 19 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
de gecertificeerde instelling, gevestigd te Tilburg,
namens deze het LANDELIJK EXPERTISETEAM JEUGDBESCHERMING,
hierna te noemen: de GI,
betreffende
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.P.M.J. Nelemans, te Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
voorheen advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof, te Tilburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 januari 2024.
1.2.
Op 19 februari 2024 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI, met gesloten deuren, mondeling behandeld, gelijktijdig met het verzoek van de GI betreffende een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de broer] (zaaknummer: C/02/417941 / JE RK 24-52). In die zaak zal bij separate beschikking worden beslist.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
- de vader;- de moeder, bijgestaan door mr. I.P.M.J. Nelemans;- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de forensische begeleidster van [organisatie] van de vader, mevrouw [naam] , nadat niet gebleken is van bezwaren daartoe bij de overige aanwezigen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 31 oktober 2022 is [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Laatstelijk is die ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 7 maart 2023 tot 7 maart 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
Namens de GI is, aanvullend, verklaard dat verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk is. [de minderjarige] woont bij de moeder en zij heeft een omgangsregeling met de vader. De vader wil de huidige omgangsregeling uitbreiden. Sinds de kerstvakantie van 2023 vindt er geen omgang meer plaats tussen [de minderjarige] en de vader, omdat [de minderjarige] dit niet wil. Er is tweemaal geprobeerd om de omgang plaats te laten vinden, maar de vader belt dan naar de moeder om [de minderjarige] op te laten halen. Een observatieonderzoek vanuit De Gezinsmanager is noodzakelijk, maar de vader heeft niet de bereidheid om hieraan mee te werken. De vader wenst enkel hulp voor [de minderjarige] . De GI heeft op 21 februari 2024 een gesprek met de school van [de minderjarige] , omdat beide ouders afzonderlijk iets anders hebben gehoord van de school. Er wordt middels hulpverlening gewerkt aan het ontlastingsprobleem van [de minderjarige] .
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat de moeder de noodzaak inziet van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. Het is voor de ouders lastig om samen tot afspraken te komen in het belang van [de minderjarige] . De moeder wenst hulpverlening om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te herstellen.
4.3.
De vader stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft niet de bereidheid om mee te werken aan de hulpverlening. Volgens de vader zijn de problemen ontstaan voor de kerstdagen van 2023.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds wordt voldaan aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:255 lid 1 BW. [de minderjarige] heeft sinds 2021 veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, waaronder de relatiebreuk tussen de ouders. Er geldt een contactverbod voor de vader met de moeder, waardoor het maken van afspraken door de ouders over [de minderjarige] wordt belemmerd. Er is nog geen ouderschapsplan opgesteld, omdat de ouders hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. Het afgelopen jaar is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , maar tijdens de kerstvakantie 2023/2024 is de spanning hoog opgelopen. [de minderjarige] heeft hier last van. Sindsdien wil zij niet naar de vader. Ondanks de hulpverlening is het de ouders niet gelukt om afspraken te maken in het belang van [de minderjarige] . Dit zorgt voor spanning en onrust waar [de minderjarige] ook last van heeft. Door oplopende spanningen en discussies worden afspraken op het laatste moment gewijzigd waardoor [de minderjarige] geen duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart. In de komende periode dienen definitieve afspraken gemaakt te worden over de omgangsregeling waar ouders zich in berusten en zich aan houden. Daarnaast wordt er nog steeds gewerkt middels de hulpverlening aan het ontlastingsprobleem van [de minderjarige] . De Gezinsmanager is ingezet voor ouderschapsbemiddeling en specialistische gezinsondersteuning. Deze begeleiding en ondersteuning dient voortgezet te worden. Van de ouders wordt verwacht dat zij meewerken aan de benodigde hulpverlening en de nog uit te voeren onderzoeken.
5.4.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar noodzakelijk is. Het verzoek zal dan ook in haar belang worden toegewezen.
5.5.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 7 maart 2024 tot 7 maart 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2024 door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Can, als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 maart 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.