Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-15
ECLI:NL:RBZWB:2024:1358
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/419095 / FA RK 24/691
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 15 februari 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot verlenging van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
thans verblijvende te GGZ Breburg, [locatie] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. E.J.L. Mulderink te Breda.
Procesverloop
1.1
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift van 14 februari 2024, ingekomen ter griffie op 14 februari 2024, waarin de officier van justitie heeft verzocht om voortzetting van de op 12 februari 2024 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Breda tot het nemen van de crisismaatregel van 12 februari 2024;
- het episode journaal van 12 februari 2024;
- de medische verklaring van 12 februari 2024;
- een afschrift van de justitiële documentatie (waarin betrokkene niet voorkomt);
- het informatierapport Wvggz van 31 januari 2024 t/m 14 februari 2024;
- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wvggz.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 februari 2024, in de hierboven genoemde accommodatie.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- de advocaat van betrokkene;
- dhr. [naam 1], psychiater in opleiding (hierna: psychiater).
1.4
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.
1.5
De rechtbank heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling vastgesteld dat betrokkene niet bereid was om zich te doen horen. De rechter heeft betrokkene kort in haar kamer op de HIC-afdeling gesproken. Betrokkene lag in haar bed. Op het moment dat de rechter haar kamer binnenkwam, is betrokkene kort uit bed gekomen en gaf betrokkene aan dat zij naar huis wil. Toen de rechter vroeg of betrokkene met haar in gesprek wilde over het verzoek, is betrokkene terug in bed gaan liggen en deed zij alsof zij sliep. Dit maakt dat de rechtbank vaststelt dat betrokkene niet bereid is om zich (verder) te doen horen. Gelet hierop heeft de rechtbank – met instemming van de advocaat en de psychiater – besloten de mondelinge behandeling buiten de aanwezigheid van betrokkene voort te zetten.
2Verzoek
2.1
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene te verlenen.
3Standpunten
3.1
De advocaat geeft aan dat hij heeft begrepen van betrokkene dat zij naar huis wil.
3.2
De psychiater heeft toegelicht dat er weinig tot geen contact met betrokkene mogelijk is. Verder stelt hij dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Betrokkene laat afwerend en onvoorspelbaar gedrag zien. Zo is zij in de thuissituatie tien kilometer in de nacht gaan wandelen op blote voeten. Ook heeft zij een slechte zelfzorg, eet en drinkt zij slecht en vermijdt zij elke vorm van contact. Daarnaast bestaat het gevaar dat betrokkene verder psychotisch decompenseert, waaruit onvoorspelbaar gedrag ontstaat. Desgevraagd geeft de psychiater aan dat betrokkene niet bekend is in de psychiatrie. Wel is bekend dat de moeder van betrokkene aan een vrij ernstig psychische stoornis lijdt. De psychiater benoemt dat hij binnenkort een gesprek met de broer van betrokkene heeft. Hij hoopt dat er naar aanleiding van dit gesprek een duidelijk beeld over betrokkene kan worden geschetst. Tot slot geeft de psychiater nog aan dat betrokkene een zoon van dertien jaar oud heeft, die voor zijn eigen veiligheid bij de familie is ondergebracht.
Beoordeling
4.1
Het vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten
schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. Uit de stukken volgt dat betrokkene psychotisch is en stemmen hoort. Verder is het de rechtbank gebleken dat betrokkene verward en angstig is. Tot slot heeft betrokkene geen ziektebesef en -inzicht.
4.2
Uit de overgelegde stukken en het behandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en ernstige verwaarlozing. De psychiater heeft toegelicht dat de zoon van betrokkene op dit moment bij familie verblijft, (mede) omdat betrokkene eerder is gaan dwalen. Verder is het de rechtbank gebleken dat betrokkene ernstig verwaarloosd is, dat zij nauwelijks eet en dat zij een slechte zelfzorg heeft. Daarnaast bestaat het gevaar dat betrokkene verder psychotisch decompenseert met mogelijk onvoorspelbaar gedrag als gevolg.
4.3
Het ernstige vermoeden bestaat dat dit onmiddellijk dreigend ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit de hierboven genoemde psychische stoornis. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
4.4
De rechtbank is van oordeel dat de in de crisismaatregel genoemde zorg noodzakelijk is om het nadeel af te wenden, te weten:
- toediening van vocht;
- toediening van voeding;
- toediening van medicatie;
- verrichten van medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.
4.5
Betrokkene verzet zich tegen de hiervoor genoemde vormen van verplichte zorg. De rechtbank stelt vast dat er weinig tot geen contact met betrokkene mogelijk is en dat zij elke vorm van contact vermijdt. Daarbij komt dat betrokkene in haar kamer tegen de rechter heeft gezegd dat zij graag naar huis wil. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het de verwachting is dat betrokkene de noodzakelijk geachte hulpverlening in een vrijwillig kader niet zal accepteren. Daarom is een gedwongen kader nodig.
4.6
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.7
De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig is en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
4.8
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, voor de verzochte duur van drie weken.
4.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats];
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals genoemd in rechtsoverweging 4.4 kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 maart 2024.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Willemsen, rechter en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2024 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier, en op 29 februari 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.