Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:1319
Strafrecht
Op tegenspraak
2,745 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-066444-22
vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ( [land] )
wonende te [woonadres]
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2024. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte,
feit 1: samen met anderen, dan wel alleen, spijkerbroeken van de Zara heeft gestolen;
feit 2: samen met anderen 16 winkeldiefstallen bij verschillende Kruidvatvestigingen in Nederland heeft gepleegd.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd, met uitzondering van de onder feit 2 opgenomen winkeldiefstal in Den Bosch (deelstreep 14).
4.2
Beoordeling
4.2.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
4.2.2
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Feit 1:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;
- de aangifte van mevrouw [aangeefster] namens de kledingwinkel Zara.
Feit 2:
De rechtbank is van oordeel dat dit feit, behoudens de winkeldiefstallen in Den Bosch (deelstreep 14), Rosmalen (deelstreep 15) en Boxtel (deelstreep 16), op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte zal van de winkeldiefstallen in Den Bosch, Rosmalen en Boxtel vrijgesproken worden, nu voor die zaken enkel een aangifte in het dossier zit. Enig steunbewijs is in het dossier niet aangetroffen, waardoor niet aan het bewijsminimum is voldaan.
De rechtbank constateert dat in de tenlastelegging bij de winkeldiefstal in Breda (deelstreep 5) en bij de winkeldiefstal in Ulvenhout (deelstreep 9) een onjuiste pleegdatum is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter op grond van het dossier voldoende duidelijk dat de diefstal in Breda op 11 maart 2022 is gepleegd en de diefstal in Ulvenhout op 7 maart 2022. De inhoud van het dossier laat daar geen onduidelijkheid over bestaan. In het dossier is immers sprake van één diefstal in Breda en één diefstal in Ulvenhout. Hierdoor is het voor verdachte duidelijk wat hem wordt verweten en is hij niet in zijn verdediging geschaad. Bovendien is in de tenlastelegging een periode opgenomen waarbinnen deze data vallen.
4.3
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op omstreeks 16 maart 2022 te Breda spijkerbroeken, die aan Zara toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
in de periode van 6 maart 2022 tot en met 20 maart 2022 te Monster en Maasland en Oosterhout en Breda en Wassenaar en Berkel en Rodenrijs en Spijkenisse en Ulvenhout
en Made en Wateringen en Wijk en Aalburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
- op 06 maart 2022 te Monster (zaak 7) en
- op 06 maart 2022 te Maasland (zaak 8) en
- op 07 maart 2022 aan de [adres 1] te Oosterhout (zaak 1) en
- op 07 maart 2022 aan [adres 2] te Oosterhout (zaak 3)
en
- op 11 maart 2022 te Breda (zaak 4) en
- op 09 maart 2022 te Wassenaar (zaak 9) en
- op 09 maart 2022 te Berkel en Rodenrijs (zaak 18) en
- op 10 maart 2022 te Spijkenisse (zaak 10) en
- op 7 maart 2022 te Ulvenhout (zaak 2) en
- op 11 maart 2022 te Made (zaak 5) en
- op 12 maart 2022 te De Lier (zaak 11) en
- op 12 maart 2022 te Wateringen (zaak 12) en
- op 14 maart 2022 te Wijk en Aalburg (zaak 6),
een hoeveelheid huidverzorgingsproducten en/of cosmetische artikelen
en/of tubes/verpakkingen Emulgel, die toebehoorden aan Kruidvat, heeft
weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
6.2
Beoordeling
Verdachte heeft zich in een periode van twee weken schuldig gemaakt aan één winkeldiefstal bij een vestiging van de kledingwinkel Zara en samen met (een) ander(en) aan 13 winkeldiefstallen bij verschillende vestigingen van de Kruidvat. Bij de vestigingen van de Kruidvat zijn heel veel goederen gestolen, met een totale waarde van € 18.975,15. Bij de Zara zijn door verdachte 11 spijkerbroeken met een totale waarde van € 549,45 weggenomen.
Door dit soort winkeldiefstallen wordt enorme schade toegebracht aan de betreffende winkelketens en daarmee ook aan de consumenten, aan wie de schade uiteindelijk in de verkoopprijzen van de producten wordt doorberekend.
Ten aanzien van de winkeldiefstallen bij de vestigingen van de Kruidvat, zijn verdachte en zijn mededader(s) steeds geraffineerd en brutaal te werk gegaan. Zij komen steeds kort
na elkaar de Kruidvat binnen, lopen in de winkel rond, hebben daarbij constant contact met
elkaar en schermen elkaar af zodat de ander de goederen in bulk in een tas kan laden. Bij deze diefstallen werd gebruik gemaakt van een geprepareerde tas, zodat verdachte en zijn
mededaders met de volgeladen tas zonder te betalen de winkel konden verlaten.
Er is sprake van het doelbewust en in georganiseerd verband stelen van grote hoeveelheden goederen uit, in dit geval, vestigingen van de Kruidvat. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank dan ook te kwalificeren als mobiel banditisme. Gelet op de ernst en de omvang, is deze vorm van criminaliteit niet te vergelijken met een eenvoudige winkeldiefstal en moeten dergelijke feiten ook zwaarder bestraft worden.
Uit het handelen van verdachte blijkt dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van
anderen. Verdachte heeft ook geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor de
diefstallen. De rechtbank betrekt dat bij de hoogte van de op te leggen straf.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor
soortgelijke feiten. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat artikel 63 van het Wetboek van
Strafrecht van toepassing is. Uit het buitenlandse strafblad blijkt dat verdachte in Roemenië
op 30 maart 2021 wel al is veroordeeld voor het plegen van een diefstal.
Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging is het uitgangspunt bij mobiel
banditisme een gevangenisstraf van twee maanden per diefstal. De rechtbank houdt naast alle genoemde omstandigheden echter ook rekening met de strafmaat in de zaak van [medeverdachte] en zal daar aansluiting bij zoeken.
Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf recht doen aan alle feiten en omstandigheden van deze zaak. Zij zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal;
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. M.E. de Boer en mr. J.C. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2024.