Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:129
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,037 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3201 tot en met 23/3206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 mei 2023, betreffende de kennisgevingen ambtshalve teruggaaf BPM van 3 maart 2021.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft in de uitspraken op bezwaar van 3 maart 2021 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaart. Ambtshalve zijn daarbij teruggaven verleend.
2.1.
Bij brieven van 16 maart 2021 heeft de inspecteur kennisgevingen van die ambtshalve teruggaven verzonden.
2.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de kennisgevingen. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling
3. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. De kennisgeving ambtshalve teruggaaf BPM is niet als zodanig aan te merken.
4. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op dat wat in onderdeel 3 is overwogen, was het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Om die reden was er – los van de feitelijke gang van zaken in deze zaak – geen plicht om op grond van de nationale wet een hoorgesprek te houden. Die verplichting is er ook niet op basis van het Unierecht. De klacht van belanghebbende over het hoorrecht slaagt dus niet.
Conclusie
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft.
6. Belanghebbende kan het geschil met de inspecteur voorleggen aan de burgerlijke rechter op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
7. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding dat te beoordelen. Gelet op de hiervoor gegeven oordelen is er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat belanghebbende niet bezwaargerechtigd is. Dan is er geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie heeft veroorzaakt.. Om die reden is er dus geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 12 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Zie Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660