Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:1244
Strafrecht
Op tegenspraak
4,994 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-198748-21
vonnis van de meervoudige kamer van 28 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw: mr. S.E. de Vries-van der Veldt, advocaat te Hoofddorp.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: verschillende soorten wapens en onderdelen daarvan voorhanden heeft gehad;feit 2: verschillende soorten munitie voorhanden heeft gehad;feit 3: verschillende soorten imitatiewapens voorhanden heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van feit 1: Verdachte had geen vrijstelling voor het bezit van de wapens met goednummers 2252753 tot en met 2253445, omdat hij niet heeft voldaan aan de meldingsplicht. Het voorhanden hebben van deze wapens is dan ook strafbaar. Gelet op de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] is het voorhanden hebben van de patroonhouders- en magazijnen met goednummers 2253188, 2253221 en 2253266 tot en met 2253355 eveneens strafbaar. Feit 1 kan in zoverre wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte moet, gelet op de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] , van de overige onderdelen onder feit 1 van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2: Verdachte moet gedeeltelijk worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de kogelpatronen met goednummer 2253154, gelet op de conclusies van [deskundige] . Het voorhanden hebben van de overige onder feit 2 ten laste gelegde munitie is, anders dan [deskundige] stelt, strafbaar omdat de hulzen niet als losse voorwerpen maar als onderdelen van een patroon moeten worden beschouwd en deze daarom munitie zijn in de zin van de Wet wapens en munitie (WWM).
Ten aanzien van feit 3: Op basis van de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] kan worden vastgesteld dat de granaatwerper met goednummer 2253300 zodanig op een wapen lijkt dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt is en daarmee strafbaar is. Voor het overige tenlastegelegde geldt dat nader onderzoek naar de wapens door [deskundige] niet mogelijk is geweest, omdat deze al waren vernietigd. Verdachte moet van deze onderdelen onder feit 2 van de tenlastelegging worden vrijgesproken, omdat wegens het ontbreken van nader onderzoek niet vastgesteld kan worden of de wapens strafbaar zijn.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1: De onder feit 1 ten laste gelegde wapens zijn gecertificeerd waardoor deze niet als strafbaar kunnen worden beschouwd. De wijkagent die in de buurt van verdachte woont was van zijn verzameling op de hoogte, waardoor verdachte feitelijk heeft voldaan aan de meldingsplicht die een dergelijke verzameling met zich brengt. Verder vallen de eerste negen op de tenlastelegging genoemde wapens buiten de werking van de WWM, gelet op de bevindingen van [deskundige] . Datzelfde geldt voor de opzetlopen en de richtkijkers. Wat betreft de patroonmagazijnen met goednummers 2253240, 2253402 en 2253357 kan worden vastgesteld dat deze niet aan de criteria als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWM voldoen, zodat die geen hulpstukken in de zin van de WWM zijn en dus niet verlofplichtig zijn. Voor wat betreft de overige magazijnen geldt dat deze niet onder de werking van de WWM vallen. Verdachte moet integraal worden vrijgesproken van feit 1.
Ten aanzien van feit 2: Omdat bij verdachte sprake is van een verzameling, mogen de onder verdachte aangetroffen hulzen binnen die verzameling worden gehouden. Dat houdt in dat de hulzen als zodanig als onderdeel van die verzameling vrijgesteld zijn. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Verder is het niet juist dat verdachte kogelpatronen onder zich heeft gehad, omdat er geen kruitlading aanwezig was bij de onder verdachte aangetroffen zaken en ook geen (werkende) slaghoedjes. Ook hiervan moet verdachte worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3: Gelet op de bevindingen van [deskundige] vallen de onder feit 3 genoemde wapens niet onder de werking van de WWM en zijn deze dus niet strafbaar. Verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken.
De verdediging heeft verder ten aanzien van alle feiten naar voren gebracht dat de rechtbank niet tot de overtuiging kan komen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, omdat een veroordeling van verdachte niet in lijn is met de gedachtegang achter de wetten en regels die gelden in dit soort zaken.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
De wapens met goednummers 2252753 tot en met 2253445
De rechtbank stelt vast dat verdachte voor de hiervoor genoemde wapens certificaten had waaruit blijkt dat de wapens niet meer bestemd of geschikt waren om munitie mee af te vuren. Uit artikel 18 van de Regeling wapens en munitie blijkt dat voor het voorhanden hebben van deze onklaar gemaakte vuurwapens een vrijstelling geldt, mits van het voorhanden hebben van deze wapens melding is gedaan bij de korpschef.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte een dergelijke melding niet heeft gedaan. De opmerking van [deskundige] dat de autoriteiten in Nederland niet weten hoe die meldingsplicht in de praktijk uitgevoerd moet worden en dat in Nederland een systeem hiervoor ontbreekt, maakt dat niet anders. Verdachte heeft op geen enkele wijze geprobeerd om bij de autoriteiten melding te maken van het voorhanden hebben van de onklaar gemaakte vuurwapens, terwijl het op basis van de wet- en regelgeving wel voldoende duidelijk was dat die melding vereist was. De stelling van de verdediging dat een buurvrouw, die wijkagent blijkt te zijn, op de hoogte is van zijn wapenverzameling, is niet nader onderbouwd en – ook al zou deze wijkagent van de verzameling op de hoogte zijn – kan niet worden gelijkgesteld met de vereiste melding aan de korpschef zoals bedoeld in de Regeling wapens en munitie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan de meldingsplicht en hierdoor geen vrijstelling had voor het voorhanden hebben van de wapens. De rechtbank acht het feit ten aanzien van deze wapens daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De patroonhouders- en magazijnen met goednummers 2253188, 2253221 en 2253266 tot en met 2253355
De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] vast dat deze patroonhouders en -magazijnen zijn te beschouwen als hulpstukken in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWM. Het bezit daarvan is daarom verlofplichtig. Verdachte had geen verlof voor het bezit van deze hulpstukken, waardoor het voorhanden hebben daarvan strafbaar is. De rechtbank acht het feit ten aanzien van deze patroonhouders en -magazijnen dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Gedeeltelijke vrijspraak overige voorwerpen
Ten aanzien van de overige voorwerpen volgt de rechtbank hetgeen [deskundige] hierover in zijn rapporten en ter zitting naar voren heeft gebracht, te weten dat deze voorwerpen niet onder de werking van de WWM vallen. De rechtbank zal verdachte hier gedeeltelijk van vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
Bewezenverklaring munitie
Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde munitie, met uitzondering van de kogelpatronen met goednummer 2253154, overweegt de rechtbank dat [verbalisant] en [deskundige] het over een deel van de munitie eens zijn dat het voorhanden hebben daarvan strafbaar is. De rechtbank zal deze conclusies volgen. Over een groot deel van de ten laste gelegde munitie is [deskundige] van mening dat dit dummypatronen betreffen die bestaan uit een gebruikte huls met daarin een bruikbare kogel. Zijn conclusie is dat die onderdelen afzonderlijk moeten worden beoordeeld en dat de hulzen onder de vrijstelling vallen, omdat deze deel uitmaken van een verzameling in de zin van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie.
Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de hulzen onderdeel hebben uitgemaakt van een verzameling zoals bedoeld in artikel 18 van de Regeling wapens en munitie. Dit heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een vrijstelling voor deze hulzen, waardoor het verboden is deze voorhanden te hebben. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van de genoemde munitie.
Gedeeltelijke vrijspraak voorwerp met goednummer 2253154
De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] vast dat deze kogelpatronen exercitiepatronen zijn, en daarmee niet onder de werking van de WWM vallen. De rechtbank zal verdachte hier gedeeltelijk van vrijspreken.
Ten aanzien van feit 3
De granaatwerper met goednummer 2253300
De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van [verbalisant] en [deskundige] vast dat de granaatwerper een airsoftapparaat is dat een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. Dit wapen valt dan ook onder categorie I onder 7° van de WWM. Het verweer van de verdediging dat het een incompleet wapen is, vindt zijn weerlegging in voornoemde vaststelling. Het voorhanden hebben zonder ontheffing is alleen toegestaan voor leden van de Nederlandse Airsoft Belangen Vereniging. Vast staat dat verdachte daar geen lid van was en geen ontheffing had, waardoor het voorhanden hebben van deze granaatwerper strafbaar is. De rechtbank acht dit feit ten aanzien van de genoemde granaatwerper dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Gedeeltelijke vrijspraak overige voorwerpen
Voor de overige onder feit 3 ten laste gelegde voorwerpen geldt dat nader onderzoek hiernaar door [deskundige] niet mogelijk is geweest, omdat deze al waren vernietigd. Hierdoor heeft hij – in het belang van de verdediging – niet kunnen beoordelen of de voorwerpen werkelijk een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens of dat deze mogelijk vielen onder de Europese speelgoedrichtlijn (richtlijn 2009/48/EC). Nu hierdoor aan de verdediging de mogelijkheid is ontnomen om de vaststelling van [verbalisant] door middel van een deskundigenoordeel te kunnen weerspreken, zal de rechtbank verdachte gedeeltelijk vrijspreken van het voorhanden hebben van deze voorwerpen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 6 oktober 2020 te [plaats] , gemeente Middelburg, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, en onderdelen van wapens van deze categorie (pistolen/geweren), te weten na te noemen wapens en onderdelen (met merk en/of type en/of kaliber), zijnde (telkens) een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende onderdelen, voorhanden heeft gehad, te weten:
- een enkelloops hagelgeweer (merk fn/Beretta, goednummer 2252753 en
- een machinegeweer (merk Radom, goednummer 2252825) en
- een machinegeweer (merk Heckler&Koch, goednummer 2253064) en
- een pistoolmitrailleur (Mat Type 1949, zwart, goednummer 2253265) en
- een pistool (merk Rex Zero, goednummer 2253309) en
- een pistool (merk Zastava Type 70, goednummer 22253330) en
- een enkelloops kogelgeweer (merk Izhmash, goednummer 2253445) en
- drie patroonmagazijnen (goednummer 2253188) en
- twee patroonmagazijnen (goednummer 2253221) en
- een patroonmagazijn (goednummer 2253266) en
- een patroonmagazijn (goednummer 2253270) en
- een patroonhouder (goednummer 2253354) en
- een patroonhouder (goednummer 2253355).
Beoordeling
Verdachte heeft meerdere verboden (onderdelen van) vuurwapens, een imitatiewapen en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een risico voor de veiligheid van personen met zich. Dit geldt ook voor het onder verdachte aangetroffen imitatiewapen. Zowel de vuurwapens als het imitatiewapen zijn geschikt voor bedreiging of afdreiging. Tegen het bezit van dergelijke wapens moet daarom streng worden opgetreden. Het ongecontroleerde bezit hiervan is om die reden verdachte kwalijk te nemen. De rechtbank weegt echter in het voordeel van verdachte mee dat er geen aanwijzingen zijn dat hij de wapens en munitie met criminele intenties in zijn huis aanwezig had. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij vooral geïnteresseerd was in de techniek van de wapens en dat hij de voorwerpen in zijn bezit had vanwege die interesse. Ook weegt de rechtbank mee dat de vuurwapens grotendeels onklaar waren gemaakt, zij het niet geheel volgens de geldende wet- en regelgeving. De rechtbank rekent het verdachte desondanks aan dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om zich te informeren over de toelaatbaarheid van zijn gedragingen en daarmee niet aan de geldende wet- en regelgeving heeft voldaan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Ter zitting heeft verdachte blijk gegeven van de enorme impact en de zwaarwegende gevolgen die de aanhouding en de daarop volgende media-aandacht en de strafzaak op zijn leven hebben gehad en nog steeds hebben. De rechtbank zal dit in strafmatigende zin meewegen. Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop.
Gelet op de ernst van de feiten en het gevaarzettende karakter hiervan moet er wel een straf volgen. Alles afwegende vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden, zodat de rechtbank deze eis zal volgen. Dit betekent dat de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren zal opleggen, te vervangen door 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.
7Het beslag
7.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan en de voorwerpen zijn van een zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
7.2
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genoemde voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- een taakstraf van 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar;
- bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Beslag:
- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de voorwerpen met:
nummers 42, 11, 14 tot en met 21, 23, 24, 28 tot en met 35 en 37 tot en met 39;
nummer 43, met uitzondering van de riem;
nummer 44, met uitzondering van het magazijn;
nummer 1, te weten die met goednummer G2304456;
nummer 22, met uitzondering van het magazijn;
nummer 25, met uitzondering van de band;
nummer 27, met uitzondering van de patroonband;
- gelast de teruggave aan verdachte van de overige voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genoemd, te weten de voorwerpen met nummers:
nummers 3 tot en met 10, 12, 13, 26, 36, 40 en 41;
nummer 44, enkel ten aanzien van het magazijn;
nummer 2, te weten die met goednummer G2304463;
nummer 1, te weten die met goednummer G2304543;
nummer 2, te weten die met goednummer G2304548;
nummer 22, enkel ten aanzien van het magazijn;
nummer 25, enkel ten aanzien van de band;
nummer 27, enkel ten aanzien van de patroonband.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. P.T. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 februari 2024.
De oudste en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.