Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-09
ECLI:NL:RBZWB:2024:124
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,896 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2471 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Procesverloop
1. Opposant heeft beroep ingesteld omdat de minister van Buitenlandse Zaken (de minister) volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 14 februari 2023 tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek dat strekt tot het uitvoeren van de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Koninklijk Nederlands-Indonesisch leger (KNIL) dat geldig is op 26 december 1949 en 24 juli 1950.
1.1.
Bij uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het verzet op 13 december 2023 op zitting behandeld. Opposant is verschenen. Namens de minister van Buitenlandse Zaken was niemand aanwezig.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb en er daarom geen sprake kan zijn van het niet tijdig nemen van een besluit waartegen op grond van de Awb bezwaar en beroep openstaat..
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is.
4. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het beroep behandeld had moeten worden door de meervoudige militaire strafkamer van de rechtbank Gelderland. Opposant stelt dat de minister door het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 25 november 2022 een ambtsmisdrijf heeft gepleegd, waardoor de militaire kamer van de rechtbank Gelderland bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Opposant meent dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard, maar heeft nagelaten het beroep op grond van artikel 6:15 van de Awb door te zenden naar de militaire kamer van de rechtbank Gelderland.
5. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verzet van opposant niet. Hierna legt de verzetrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Het is de verzetrechter duidelijk dat opposant zijn beroep wenst voor te leggen aan de meervoudige militaire strafkamer van de rechtbank Gelderland. De vraag is of dit ook mogelijk is.
6.1.
Om deze vraag te beantwoorden dient eerst te de inleiding van deze procedure te worden beoordeeld. Dat is het verzoek van opposant van 25 november 2022 gericht aan de minister, waarin opposant de minister vraagt om over te gaan tot het uitvoeren van de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Koninklijk Nederlands-Indonesisch leger (KNIL).
6.2.
De minister is een overheidsorgaan en is aan te merken als een bestuursorgaan. Daarnaast heeft opposant zijn woonplaats binnen het arrondissement van deze rechtbank. De verzetrechter stelt vervolgens vast dat de wetgever procedures omtrent het uitblijven van besluiten door een bestuursorgaan heeft ondergebracht bij het bestuursrecht. Gelet op artikel 8:7, tweede lid, van de Awb is de bestuursrechter van deze rechtbank dan ook in eerste instantie bevoegd om van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister kennis te nemen. Dat heeft ook de Militaire strafkamer van de rechtbank Gelderland onderkend, waar opposant zijn beroep aanvankelijk indiende. Het beroep is ter behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.
6.3.
Het is de rechtbank ambsthalve bekend dat opposant al meerdere malen een beslissing aan de minister van Buitenlandse zaken heeft gevraagd met dezelfde of een vergelijkbare strekking als het verzoek dat de inleiding was tot deze procedure. Over het uitblijven van die gevraagde beslissingen zijn ook al meerdere beroepsprocedures bij deze rechtbank aangevangen.
Gelet op deze eerdere procedures en de uitspraken die daarop zijn gevolgd kan het opposant niet ontgaan zijn dat hetgeen hij aan de minister van Buitenlandse zaken heeft gevraagd, geen publiekrechtelijke grondslag heeft en dat een reactie op zijn verzoek of het uitblijven daarvan niet via de bestuursrechter kan worden aangevochten.
6.4.
De verzetrechter is verder van oordeel dat de rechtbank in haar uitspraak terecht heeft overwogen dat een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen ontbreekt. Hierdoor is er geen sprake van een aanvraag in de zin van de Awb en kan er ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft zich om die reden terecht onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.
6.5.
In zijn nadere stuk, dat kort voor de zitting is ingediend en ter zitting heeft opposant gesteld dat de rechtbank het beroepschrift ter behandeling dient door te zenden naar de militaire strafkamer van de rechtbank Gelderland. Hij stelt dat de minister van Buitenlandse zaken een ambtsmisdrijf zou hebben begaan door niet tijdig te reageren op zijn verzoek.
Hoewel de rechtbank aanneemt dat opposant het volgende wel weet, overweegt de rechtbank hierover het volgende. Nog daargelaten dat in deze zaak vooralsnog niet van enig strafbaar feit is gebleken, noch dat de minister ter zake van zijn handelen onder het militair strafrecht zou kunnen vallen, kan de bestuursrechter niet door verwijzing zaken voorleggen aan een (militaire) strafrechter. Alleen een Officier van Justitie kan beslissen om iemand die wordt verdacht van een strafbaar feit te dagvaarden voor de bevoegde strafrechter.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 augustus 2023 dus terecht geen toepassing gegeven aan artikel 6:15 van de Awb.
7. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 augustus 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 9 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 1:1 van de Awb.
Zie onder andere artikel 6:12 en afdeling 8.2.4a. in de Awb.
ECLI:NL:RBZWB:2019:4512 (8:54), ECLI:NL:RBZWB:2020:342 (verzet), ECLI:NL:RBZWB:2021:5611 (8:54), ECLI:NL:RBZWB:2022:1927 (verzet)